Vogeltjes

Elke namiddag neemt een zwartkopje een bad in de vijver van mijn ouders.

‘Altijd rond half zes,’ zegt mijn vader, die zich ook nu met zijn verrekijker bij het raam in de woonkamer heeft opgesteld. De vierenzeventigjarige tuinvoyeur schuilt achter een gordijn en werpt een blik op zijn horloge. ‘Hij is wat laat vandaag.’

Terwijl we wachten vertelt hij over de vogeltjes rondom het huis. Over dat er in de negen door hem vervaardigde houten huisjes die aan de bomen hangen, negen gezinnetjes mussen en mezen wonen. ‘Voor mezen moet de opening groot als een rijksdaalder zijn,’ weet hij, ‘mussen hebben aan een gulden genoeg om doorheen te kruipen.’

De gepensioneerde econoom, nu penningmeester van zijn achtertuin, overweegt huur aan de beestjes te vragen en maakt daaropvolgend nóg een vadergrapje, iets met Airbnb, dat hij net als alle vaders net niet zo lekker kan uitspreken.

‘Ja, Ol, kijk, daar is-ie!’
Het is kwart voor zes. Ik tuur over zijn schouder mee door het woonkamerraam. Een vogeltje klein als een mus staat met een zwart badmutsje op zijn kop aan de vijverrand. Als het zich zwierig begint te wassen jubelt mijn vader vanachter zijn verrekijker woorden als ‘Joepla, goed zo, doe maar lekker hoor, en van je één, twee, hoepla!’

Ik heb mijn kin op zijn schouder gelegd en genoot, zij het van iets heel anders, met hem mee.