Ik zette mijn kiezen op elkaar, kneep mijn billen samen...

Plasangst

De dokter kon me niet helpen. Voor problemen tussen mijn oren moest ik maar naar een geschikte therapeut gaan zei -ie. Maar ook de bekwame zielknijper faalde. Hij verwees me tenslotte door naar iemand die in contact stond met het hogere, hoewel het mij om het lágere ging. Ik vestigde mijn laatste hoop zodoende op een dame van in de vijftig die, aan haar woning te zien, een rendabel contact met het buitenaardse leek te onderhouden. "We zijn allemaal bijtjes", zei ze toen ik haar praktijk binnenstapte. Ze liet me bovenop een groot vloerkussen in haar praktijk zakken. Zelf ging ze in kleermakerszit tegenover me zitten. Toen begon ze te huilen, en dat hield eigenlijk niet meer op.
Maar zoals ik al vermoedde kon ook deze vrouw me niet van mijn plasangst afhelpen. Ze mompelde op een gegeven moment alleen nog maar dat ze mijn overleden grootvader op een Batavus fiets doorkreeg, waarna ze met tranen in haar ogen verklaarde dat dit waarschijnlijk niets met mijn probleem te maken had en ze me vanuit een zijkeukentje een obscuur brouwsel inschonk dat smaakte naar augurk en niet hielp. Na het betalen zei ze 'Vlieg maar fijn uit, bijtje'.

Ik heb het eenmaal in mijn leven geprobeerd, dat 'openbaar urineren'. Op die avond bekroop me een moedig gevoel dat het eindelijk zou gaan lukken; het zevental biertjes in het dorpscafé sterkte me in deze overtuiging. Ik installeerde mijzelf in een trefzekere positie voor het urinoir zoals ik dat anderen dikwijls had zien doen, en ik opende mijn gulp. Een boomlange kerel naast me deed hetzelfde. Hij keek voldaan naar beneden alsof hij afscheid nam van een gast waar -ie een fijne tijd mee had gehad en wie hij spoedig weer zou zien. Ik was onder de indruk van het geluid van zijn straal in het bassin. ‘Kom op, nu jij’, moedigde ik mezelf aan. Ik deed er alles aan om mijn plas vanuit mijn tenen omhoog te persen. Ik zette mijn kiezen op elkaar, kneep mijn billen samen... maar tevergeefs. Onverrichter zaken ritste ik mijn gulp dicht. Om het falen te verhullen trok ik door.
'Zeg mijnheer, ik wil u niet bruuskeren', sprak de lange man tijdens het handen wassen opeens, 'maar het ontging mij niet dat u zonet geen druppel heeft geplast'. Hij keek me aan in de spiegel en hij glimlachte snood. 'Ik, ik'... Ik wendde mijn gezicht af en verliet onder een sterk toenemend hoongelach het toilet. Die avond had de man en zijn vriendengroep telkens even naar me gewezen, en ging het smadelijke gebrul tot op het trottoir na sluitingstijd door.

Sinds die beschamende vertoning vertoefde ik steevast voor het uitgaan een uur op mijn thuistoilet. Daar wrong ik mijn blaas tot op de laatste druppel uit. In het café hield ik mijn plas gedurig op tot alle aanwezigen in een korte tijdspanne hun behoefte hadden gedaan en ik ongestoord in het urinoir of, nog fijner, achter de gesloten deur mijn gang kon gaan - het risico dat die toiletruimte bezet was en ik de plasbak moest gebruiken, durfde ik niet te nemen.
Ik vertelde mijn vrienden uit het dorp dat het een experiment van de universiteit betrof, want het gewiebel op mijn stoel noopte om een verklaring. Maar mijn leugen hield niet lang stand zodat een onvermijdelijk groepsgesprek volgde. Zo'n gesprek waarbij iedereen Psychologie heeft gestudeerd en de beste raad voor je heeft. Ze gingen me op een gegeven moment zelfs helpen. Gingen we sámen naar het toilet. Kregen we dat. Met z'n allen stonden ze over de piesbak gebogen terwijl ze joelden en applaudiseerdden. Het leek met hun ritmisch handengeklap alsof ze een verspringer tijdens zijn aanloop aanmoedigden, maar helpen deed het allerminst. Na een tijd gaven zij de hoop op, net als de medici en de spirituele dame die mijn grootvader had zien racefietsen. Mijn vrienden grapten dat ik voor eeuwig een gevangene zou zijn van de wc achter de gesloten deuren - en dat het daar qua frisheid verre van aangenaam toeven is, behoeft weinig uitleg. Het stemde me ongelukkig. Evengoed kon niet anders dan me erbij neerleggen: ik zou nooit in het openbaar kunnen urineren. Er scheen bij navraag nog wel een wonderdokter in Zwitserland te bestaan, maar zijn honorarium was zo duur als de soevereine staat zelf volgens mijn vader. Hij zei dat alleen beroemdheden zoiets konden veroorloven, en 'aangezien ze in een dorp met vierhonderd huizen nog niet eens wisten wie ik was', dit er voor mij dus helaas niet in zat.

De reislustige moeder van een vriend raadde me aan om naar Canada te gaan, de Niagara watervallen. Deze zouden mijn plas opwekken, althans, dat was bij haar gebeurd zo gierde ze gillend van de lach. "Die gids wist niet meer hoe -ie het had toen ik daar in die kring hurkte". Wanneer ook ik daar temidden van die toeristen kon urineren, zou mijn probleem volgens haar tot het verleden behoren. Maar mijn vader vond ook Canada niet te betalen, dus werd het Duinrell, en dat werd geen succes. Ik heb me een poos bij de luid stromende monding van een kinderglijbaan opgehouden, maar juist toen ik aandrang meende te voelen werd ik door drie badmeesters het bad uitgezet omdat ze meenden dat ik mijn lid aan minderjarige meisjes etaleerde.

Zo heb ik twee jaar lang mijn plas achter de gesloten deuren gedaan. Tot in die zomer van 1993. Toen veranderde alles. Deze grote kentering vond plaats in het holst van een nacht waar ik, volgens de politie, met drie kameraden op heterdaad werd betrapt tijdens het wildplassen tegen een of andere heilige eik op ons dorpsplein. Ik heb het voorval aangevochten en er volgde een reconstructie op die voor mij inmiddels legendarische plek. Er kwamen zelfs mensen van de regionale pers opdagen voor deze ongewone zaak. Ik beweerde namelijk, en dat was ook zo, niet wildgeplast te hebben. Ik had het die dronkenmansnacht wel geprobeerd, absoluut, maar in tegenstelling tot mijn kameraden naast mij, lukte het natuurlijk niet. Tijdens de reconstructie en plein publique voltrok zich echter een wonder: ik kreeg het ondanks de spanning, de agenten en persfotografen om me heen, stomweg voor elkaar om te urineren! En hoewel ik daarmee voor de politie onmiskenbaar mijn schuld bewees, stond ik de volgende dag letterlijk en figuurlijk stralend op de voorpagina van de plaatselijke courant: ik was niet alleen beroemd in het dorp, ik was wonderbaarlijk genezen.

 

 

 

Twitter facebook