Ik begreep waarom baby's met waterhoofden uit vrouwen komen

Neusgaten en nibbit's

Op televisie werd een kind geboren. De cameraploeg zat er bovenop. Met een volle zak nibbits op mijn buik bekeek ik deze uitzending op het Discovery-kanaal. Het programma stond in het teken van bevallingen, en ik verwonderde me voortdurend over de buitengewone, energieke rek van het menselijk lichaam. Ik had het namelijk niet eerder van zo dichtbij meegemaakt; de laatste keer dat ik getuige was van een bevalling speelde ik zelf de hoofdrol.
Dat de veerkracht in ons lijf op het allerergste lijkt te zijn voorbereid, bleek toen halverwege het programma beelden werden vertoond van een zuigeling die met een waterhoofd ter wereld kwam. Ik graaide ondertussen onafgebroken in mijn zak chips. Plotseling kreeg ik een idee.

De volgende ochtend wandelde ik met een nieuwe zak nibbits de toiletruimte van de universiteit binnen om me te ontdoen van het slib dat mijn neushaar, het hoogpolige tapijt van mijn reukorgaan, dagelijks uit de atmosfeer destilleert. Twee lege neusgaten waren essentieel voor mijn aanstaande experiment. Om mijn privacy tijdens het peuteren te garanderen, sloot ik mezelf op. Ik ging zitten op de pot en keek naar een deur waarin studenten idealistische teksten hadden gegraveerd. Ook was er met een merkstift meermalen de liefde aan een meisje verklaard. Wellicht waren beide idealen inmiddels vervlogen. Hoe dan ook, mijn neus moest leeg - een eenvoudiger doel is er nauwelijks.
Ik plunderde mijn neus als een supermarkt in een staat van anarchie. Met mijn vernuftig borende wijsvinger reikte ik tot in de diepste spelonken van het orgaan. Uiteindelijk stootte ik tegen het plafond waarover men in de dagelijkse praktijk bezigt dat je 'een kaartje moet sturen wanneer je boven bent'. Zo geschiedde. Ik besloot hem te richten aan mijn moeder.

Lieve moeder,
Ik ben boven aangekomen. Maak je geen zorgen, de weg terug biedt geringe weerstand.
Groeten,
Je zoon

Met een fietssleutel kraste ik de tekst tussen de overige leuzen op de wc-deur. Voor de vorm trok ik daarna door. Ik verliet het toilet en betrok een leegstaand klaslokaal, ergens bovenin het universiteitsgebouw, als laboratorium. De deur ging op slot; ik wilde absoluut niet gestoord worden.
Nu mijn neus gezuiverd was, kon de zak nibbits voorzichtig worden geopend. Dat hierbij een tweede probleem aan het licht kwam had ik in mijn hypothese al voorspeld, want: welke kleur nibbit behoorde toe aan welk neusgat? Het tintenspectrum van de zak met kleurrijke staafjes prikkelde mijn kegeltjes. Geel, lichtgeel, rood, oranje, lichtrood.
Opeens had ik het. Rood in het rechterneusgat. Dat leek te kloppen. Maar onmiddellijk sloeg de twijfel toe. De nerveuze beelden van ontmantelaars van tijdbommen flitsten door me heen. Hun bezwete voorhoofden boven zwarte, rode en blauwe draadjes: de kleinste fout kan hen fataal zijn. Nu zal men van een nibbit in het verkeerde neusgat niet exploderen (bij orale consumptie loopt de mens een groter risico), maar zorgvuldigheid betrachten was ook hier een vereiste. Het toeval uitsluiten ook. Daarom begon ik alle kleuren chips in beide neusgaten te stoppen. Een voor een vulden ze de schaarse vrije ruimten op, als mensen in de tram tijdens het spitsuur.

Na flink wat pas- en meetwerk, “Wilt u allemaal naar voren doorlopen alstublieft”, zaten beide gaten stampvol. De energieke rek van mijn snufferd viel me onmiddellijk op. Ik begreep nu beter waarom baby's met waterhoofden uit vrouwen kunnen komen; moeder natuur heeft niets aan het toeval overgelaten.
Welnu. Volgens mijn proefneming bood mijn reukorgaan onderdak aan > 23 staafjes nibbits - don’t try this at home. En bij mensen met grotere neuzen zou dit aantal met ‘aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid’ eenvoudig te verdubbelen moeten zijn. Met mijn mond wagenwijd open (om een tekort aan zuurstof te compenseren) ging ik op zoek naar een professor die mijn these van een titel wilde voorzien. Want dat ik een relevante uitvinding had gedaan, dat was me wel duidelijk. Een doorbraak, wellicht.

Voordat ik een hoogleraar ging aanspreken liep ik het toilet binnen. Ik wilde mezelf even in de spiegel bekijken. Het was een krankzinnig maar toch ook vrolijk gezicht, die drieëntwintig kleurrijke nibbits in mijn neusgaten. Ik leek wel een vogelverschrikker. Ik werd almaar benieuwder naar wat de professoren ervan zouden vinden. Enthousiast rende ik door de smalle gangen van het universiteitsgebouw. Keuvelende groepjes studenten keken me stomverbaasd na. En wat er toen gebeurde, dat zal ik nooit van mijn leven meer vergeten. In mijn staat van euforie had ik namelijk totaal geen oog voor de zojuist gedweilde doorgang naar de professorenkamer. Ik gleed uit, struikelde over mijn benen, en kukelde recht voorover. Met een onhandige, harde smak kwam ik op mijn snoet terecht. De drieëntwintig nibbits schoten linea recta langs het punt waarbij je een kaartje dient te sturen, en ze verdwenen mijn voorhoofd in. Weg waren ze.

Tien minuten later, na het stelpen van mijn bloedneus op het toilet, besloot ik alsnog naar een professor te gaan: een die zich bezighoudt met het menselijk brein, en hoe men daarin gebruik kan maken van ingenieuze chips.
De professor krabde zijn kruin.

 

 

uit de serie: Olivier Onderstreept

 

 

Twitter facebook