Ik ben geen man die rent voor vliegtuigen

 

Nacht

Het is nacht.
'Zoeken jullie het zelf maar uit' is wat de stoplichten duidelijk maken. 'Wie redelijkheid wenst moet elders zijn; de nacht behoort toe aan de gemachtigden'. Dat wettenloze oranje licht, doorgaans zo bescheiden draaiend op daken van straatvegende voituren of op die van de goedaardige hondenredbrigade, deelt hier en nu, in 't stadsdonker boven verweesde straten, de lakens uit.

Tussen hemel en aarde werkt en slaapt de mens. En dan is er de nacht. Iedereen heeft hem in huis, deze kadobon, gekregen van een schimmige tante. Zware nachten zijn er, genoeg zelfs, om uit te delen, want niemand verdraagt de last van nachten als zodanig.

Ze vertelden me ooit te wachten. Ik moest wachten en 'dan kwamen de doden vanzelf terug'. Ik wachtte 's nachts. Urenlang wachten én kijken, och, dat ging zo verstild gepaard, als twee zieken die tezamen met tachtig graden koorts op bed gelegen onder een plafond, de dagen ledig over de nachten hevelden. Zo wachtte ik daar ooit op die terugkerende doden in mijn nachten, starend naar de onbekende vormen van het wimperspel in de kosmos van mijn ogen. De wormen, zwevende zeepaardjes die weeïg op de zeeboezem van de woeste zwarte baren door mijn slaapkamer deinsden.

Ik ben geen man die rent voor vliegtuigen. Dat is aan de avontuurlijken. Ik wacht op vliegtuigen zoals ik wacht tijdens de nacht. Dat staren, tot er iets aan de einder verschijnt. Ik zie ze vliegen. 'Je ziet ze vliegen' zeiden ze, als ik wachtte op de doden.
Deze nacht wacht ik weer. Niet op de doden. Niet op spoken of draken in dromen. Ik staar naar het verkeerslicht in mijn raam. We delen dezelfde hartslag. Het stoplicht wacht de nacht met me mee. De dag zou zo vanzelf terug moeten komen.

 

 

 

Twitter facebook