Moordenaar

De bovenbuurvrouw (87) heeft een auto-ongeluk gehad. Gelukkig is ze er redelijk goed vanaf gekomen. Haar invalidewagentje is total loss. Ze kwam me het nieuws vanochtend zelf aan de voordeur vertellen. De buurvrouw zag pips en leek opeens eindeloos oud. Het had er diep ingehakt. Ze liet me haar kneuzingen zien. ‘Hier,’ zei ze toen ze haar blouse onverwacht naar beneden trok en haar rechter boezem¬†tevoorschijn haalde, ‘misschien wat raar, maar kijk: mijn tiet is helemaal paars.’¬†

Haar tiet leek op een suikerbiet. Terwijl ik probeerde om niet te nadrukkelijk naar die paarsrode bloeduitstorting te staren en tegelijkertijd nonchalant bleef alsof het showen van haar boezem een conventionele beleefdheidsuitwisseling tussen twee buren was, als het lenen van een kopje suiker, snuffelde haar schoothondje nerveus aan mijn enkels. ‘Ach,’ zei ze terwijl ze de tiet weer binnenboord hees, ‘zou jij een dagje voor Luna willen zorgen?’

Luna. Hoe ik dat mormel haatte. Dat schelle gekef om half acht ’s ochtends en soms zelfs de hele dag door. Hoe vaak ik had gefantaseerd over vergiftigde koekjes door de brievenbus. ‘Ja, tuurlijk, geen probleem hoor,’ antwoordde ik, en niet veel later stond ze met een riem, poepzakjes en een doos brokjes voor de deur.

‘Zo,’ zei ik toen de buurvrouw was verdwenen en het achtergebleven hondje bezorgd op mijn deurmat stond te trillen, ‘nu is het tussen jou en mij.’ Dit was een geluk bij een ongeluk: mijn aartsvijand in mijn huis, zomaar in mijn schoot geworpen. Zou ik het bad vol laten lopen en haar… Of gewoon van het balkon… Misschien in de oven?

‘Eerst maar een blokje om,’ zei ik tegen Luna en we liepen de straat op. Nu ben ik logge labradors gewend, dus het voelde alsof ik een fret op batterijtjes uitliet. Plotseling schoot ze het fietspad op, waar ik haar godzijdank net voor een tegemoetkomende scooter kon wegtrekken. Ik hurkte en sprak Luna vermanend toe, waarop ze mijn wijsvinger begon te likken en ik onmiddellijk liefde voelde voor hetgeen ik meende te haten. Terwijl ik dit typ ligt ze vredig op mijn schoot. Ik heb het niet in me om een moordenaar te zijn.