Hoofddoekje in het Grote Wouterbos

voorgelezen door Noraly Beyer
Er was eens een jong meisje dat Hoofddoekje heette. Ze werd zo genoemd omdat ze altijd een hoofddoekje droeg. De rode hijaab had ze van haar zieke vader gekregen. "Hij zal je altijd en overal beschermen" vertrouwde hij haar toe. Een paar dagen later blies vader zijn laatste adem uit. Inmiddels woonde Hoofddoekje met haar moeder en broertje in een rijtjeshuis aan de rand van het Grote Wouterbos. De familie leefde er een onzeker bestaan.
Op een dag stuurde moeder Hoofddoekje op pad voor een opdracht: de verblijfsvergunningen van haar hele familie moesten worden verlengd. Dit was een gevaarlijke onderneming. Hoofddoekje moest hiervoor in haar eentje het Grote Wouterbos doorkruisen. Haar hartje sloeg steevast over wanneer ze de naam van dit bos hoorde. Ze had namelijk een grote vrees voor de Wilde Boze Geert, die zich ergens in het duistere woud schuilhield. Maar moeder vond haar dochter nu oud genoeg om alleen op pad te gaan. "Je spreekt de taal goed", zei ze, "en je broertje wil het niet doen".
Moeders wil geschiedde. De volgende ochtend vertrok Hoofddoekje met een mandje vol traditionel e lekkernijen in de richting van het bos. Ze droeg boterbabbelaars, Haagse Hopjes en zoethout met zich mee. Er lag ook een fles rode brandewijn onderin. Moeder beweerde dat ze de zoetigheden en de drank goed kon gebruiken om figuren in het Wouterbos mee om te kopen. Toch vertrouwde Hoofddoekje liever op de kracht van de rode hijaab van haar vader.
Tot aan de rand van het bos werd ze gevolgd door Balkje, haar trouwe ezel. Zijn poten waren ingezwachteld omdat hij zich inmiddels vier keer aan eenzelfde steen had gestoten. Balkje wilde Hoofddoekje tijdens haar reis vergezellen, maar ze legde hem uit dat ze ditmaal alleen moest gaan.
"Maar, ik moet je beschermen tegen de Wilde Boze Geert… toch!?", had Balkje geroepen, waarop Hoofddoekje hem de inhoud van haar mandje toonde.
"Daarbij denk ik niet dat jij mij beschermen kunt, Balkje", vervolgde ze, "je kijkt zo lief, maar je bent immers maar een ezel".
Zo wandelde Hoofddoekje over een donker pad alleen het Grote Wouterbos in. Het werd al snel duister en griezelig. Vanuit de verte klonken enge geluiden; wolvengejank, politiesirenes. Ze was een vreemde wereld binnengestapt waar de angst leek te regeren. Er drong nauwelijks daglicht door, en dan was er ook nog die dreiging van de Wilde Boze Geert. Hoofddoekje had niet heel veel over hem gehoord. Ze wist dat -ie uit Venlo kwam, en dat hij absoluut niet van hoofddoekjes hield. Denkend aan dat laatste schoten de ijskoude rillingen door haar lijf.
Om de spanning te bezweren verzon Hoofddoekje wat liedjes. Maar net toen ze 'Ga naar oma Femke verblijfsvergunninkje halen, in het bos in het bos' zong, doemde uit het duister een lange clown op. Hij stond midden op het pad. Hoofddoekje voelde haar hartje hevig tekeer gaan. De clown droeg een woelige haardos op zijn hoofd. Het haar was rood geverfd, dat zag Hoofddoekje onmiddellijk. Langzaam stapte de clown dichterbij.
"Zo zo, waar ga jij hene, zo alleen?", vroeg de clown toen hij tegenover haar stond.
"Naar oma Femke, meneer".
"Wel wel, naar oma Femke", herhaalde de clown verbitterd, "en wat gaan we daar doen?".
"De verblijfsvergunningen verlengen", jubelde Hoofddoekje, "voor mijn hele familie!".
De clown begon nerveus op zijn hoofd te krabben. Het leek of zijn hoofdhuid jeukte. Terwijl hij krabde zag Hoofddoekje een stoffen labeltje dat op de mouw van zijn clownspak was gespeld. "Carnavalswinkel De Rode Neus - Venlo" stond erop.
Venlo! Hoofddoekje schrok.
"K-Komt u uit Venlo?", stamelde Hoofddoekje.
"Meisje, je bent knettergek!", antwoordde de clown verontwaardigd, "hoe kom jij daar nu bij?"
"Nou, op uw mouw staat...".
De clown bekeek zijn kostuum. Daarna lachte hij. Hij legde Hoofddoekje uit dat het al een oud pak was, maar dat de mensen het nog steeds een prima kostuum vonden. "De mensen houden van hoe het ooit was", wist de clown te vertellen.
"Zeg eens meisje", vervolgde hij terwijl hij in zijn handen wreef", vind je het niet gevaarlijk om zo alleen door het Grote Wouterbos te lopen?".
Hoofddoekje schudde haar hoofd. "Nee hoor meneer de Clown". Ze verzweeg de kracht van haar hijaab en liet hem de inhoud van haar mandje vol zoetigheden zien. "Hiermee kan ik mij redden. Wilt u misschien een stengel zoethout?"
De clown nam het zoethout gretig aan. Hij krabde ermee op zijn hoofd en peuterde er een moment mee in zijn neus. En toen, zonder te vragen, griste hij de fles rode brandewijn onder uit het mandje. Hij verdween ermee in een uiterst rechtse richting. 'Tjeempie. Dat was een merkwaardige ontmoeting', dacht Hoofddoekje.
Net op het moment dat ze haar weg wilde vervolgen, klonk er vanuit een klein spechthol een vrolijk gelach. Hoofddoekje keek omhoog naar de oude eik waarin zich het spechthol bevond. Ze riep de specht. "Specht", riep ze. "Kereltje specht". Maar er kwam geen reactie. Ze hoorde enkel dat vrolijke gelach. Hoofddoekje besloot verder te lopen omdat ze voor het avondeten thuis moest zijn.
Ze wandelde een smal bruggetje over. Daar trok opeens een felgekleurd huis aan de rechterkant haar aandacht. Ze bekeek het huis vanaf de brug. In het riviertje ernaast lag een boot met een rond houten roer voor anker. De boot was veel te groot om uit te varen. 'Wat een megalomaan bootje', dacht Hoofddoekje. 'Hoe kan die nu uitvaren? Hij past zelfs niet eens onder de brug door'.
Ze kon de verleiding echter niet weerstaan om het huis van dichtbij te bekijken. Van de buitenkant leek het veelbelovend. Het dak was bekleed met felle oranje snoepjes, en de schoorsteen had de vorm van een grote zuurstok in de kleuren rood, wit en blauw!
Voorzichtig begaf ze zich naar de voordeur. Moeder had haar op het hart gedrukt om nooit van de gemarkeerde wegen af te wijken, maar ze was te nieuwsgierig naar dit snoephuisje.
Hoofddoekje klopte op de deur. En nog eens, maar er leek niets te gebeuren. Toch móest ze stiekem een kijkje nemen. Heel eventjes maar, dat kon toch geen kwaad? Ze zette haar klamme hand voorzichtig om de deurknop en draaide…
Juist op dat moment zwiepte er in het dak een luik open. Een ijzeren vrouw wurmde met kabaal haar hoofd tussen twee gevangenisspijlen naar buiten. Haar donkere ogen keken argwanend.
"Knibbel knabbel knuisje, welke vreemdeling kraakt er mijn huisje?"
Hoofddoekje schrok zich een hoedje.
"S-sorry mevrouw", verontschuldigde Hoofddoekje zich. "Ik wilde enkel eventjes binnen in uw mooie huisje kijken, het belooft zoveel moois en zoveel goeds"
De ijzeren vrouw glimlachte vilein. "Ik ben er trots op", riep ze van boven, "heel erg trots".
"Dat zal best", antwoordde Hoofddoekje.
"En jij meisje, ben jij er ook trots op?"
"Het is niet van mij, dus ik weet niet of ik er trots op moet zijn, mevrouw".
De vrouw wrong haar forse postuur nu volledig door de spijlen heen. Haar ijzeren lichaam maakte een industrieel geluid wanneer het de tralies raakte. Ze nam plaats in een zetel op het dak.
"Ik zou je best een stoel willen aanbieden meisje, maar ik heb maar één zetel hier".
De ijzeren vrouw zat als een cipier voor het luikje met de spijlen.
"Zeg me eens, waar in het Grote Wouterbos woon jij precies?" vroeg de vrouw terwijl ze haar armen zelfverzekerd over elkaar sloeg.
"Ik woon met mijn familie aan de rand van het bos, mevrouw", antwoordde Hoofddoekje.
"Wel donders! Ga dan maar snel terug naar waar je vandaan komt". De vrouw stond resoluut op van haar zetel en zwaaide dreigend met haar vinger. "In het Grote Wouterbos is geen plaats voor vreemdelingen, het is hier al druk genoeg".
Hoofddoekje keek verbaasd om zich heen. Ze zag helemaal niemand. Teleurgesteld nam ze afstand van het huisje. De vrouw wurmde zich terug door de spijlen en sloot haastig de luiken van het huis. Hoofddoekje liep beduusd verder.
Alle figuren hadden haar enorm opgehouden. Met de plattegrond, de blauwdrukken van het bos, die haar moeder van bekenden uit de Hofstad had gekregen, rende ze over de donkere paden van het bos. Af en toe struikelde ze van opwinding over een boomwortel.
Hoofddoekje naderde een rood stoplicht. Terwijl ze wachtte zag ze een omvangrijke tomatenplantage. Er stond een olijke man overijverig in te werken, terwijl een oudere, bijna kale man, vanaf zijn klapstoeltje tevreden toekeek. Aan zijn voeten lag een oude os te slapen.
Toen het stoplicht op groen sprong, spurtte Hoofddoekje naar links. Volgens haar plattegrond was ze nu bijna op het erf van oma Femke, daar waar de verblijfsvergunningen verlengd konden worden. En inderdaad, in de verte zag ze het erf al liggen.
Ze wandelde over breed geasfalteerde wegen naar het huis. Hoofddoekje verbaasde zich over de hoeveelheid asfalt. Bij de voordeur stuitte ze op een briefje. "Deurbel defect", stond erop. "Gaarne driemaal HOERA te roepen".
Hoofddoekje vond het wat vreemd maar schraapte uiteindelijk haar keel.
"HOERA, HOERA HOERA!" jubelde ze. Een zwerm spreeuwen vloog verschrikt op.
Het was een moment stil, maar niet voor lang.
"WIE IS DAT MARK?". Hoofddoekje hoorde een oude vrouwenstem krijsen. "MARK! WIE IS DAT!"
"Kalmeer moeder, ik ga wel eventjes kijken".
"MARKJE, ZEG ME TOCH, WIE IS DAT?, tierde de vrouw opnieuw. "TOCH NIET WEER DIE LELIJKE IJZEREN HEKS, HÈ?".
Hoofddoekje giechelde voorzichtig.
Een keurige jongeman met een bril verscheen daarna in de deuropening.
"Kan ik u helpen jongedame?".
"MARK ZEG ME WIE HET IS!"
"Het is al goed moeder" riep de man getergd naar boven, "ga maar weer slapen".
Hij zuchtte vermoeid.
"Sorry dat ik u stoor", fluisterde Hoofddoekje, "maar ik kom voor onze verblijfs-vergunningen".
De man keek een moment betrapt om zich heen.
"Ehm. Ik zou u wel willen helpen", fluisterde hij terug, "maar de anderen willen dat niet".
"Welke anderen?"
"Ik kan daar niets over zeggen. Het spijt me, het is beter als u nu meteen vertrekt".
"Maar, ben ik hier niet bij oma Femke dan?", vroeg Hoofddoekje verontwaardigd.
"Nee nee meisje, dan ben je verkeerd", zei de man. "Femke woont hier pal tegenover. Je kunt er naar binnen kijken vanuit mijn slaapkamerraam. Niet dat ik dat doe hoor..."
De man sloot snel de voordeur terwijl Hoofddoekje zijn oude moeder weer hoorde brullen.
Het erf van Femke was versierd met prachtige planten en bloemen. Er grensde een gigantisch rode rozenperk aan. Daarin was een oudere, lange man aan de arbeid. Hij telde de rozen maar moest telkens opnieuw beginnen. Hij werd er wat draaierig van. Hoofddoekje groette hem en betrad het groene pad dat naar het huis van Femke leidde. In de voortuin passeerde ze een roestende Mercedes stationwagen. Er groeide gras vanonder de motorkap vandaan. Achterin de tuin speelde een vrouw tikkertje met kippen en konijntjes, maar ze was absoluut geen partij voor de dieren. "Het ziet er hier allemaal zo vreedzaam uit", zuchtte Hoofddoekje hardop.
Ook bij deze voordeur trof Hoofddoekje een bordje aan. “Geen deurbel i.v.m. energiebesparing”.
Ze klopte voorzichtig op het raampje in de deur en zag een schaduw naderen. Daarna ging de voordeur op een kier. De neus van een knalrode schoen stak over de drempel.
"Wie is daar?". Hoofddoekje meende even dat ze de stem herkende.
"Dag oma Femke, ik ben Hoofddoekje, ik kom voor onze verblijfsvergunningen".
"Kijk eens aan, kijk eens aan", sprak de stem “kom toch binnen".
De deur ging langzaam open. Tegenover Hoofddoekje stond een flink vrouwmens.
"Wees welkom hier meisje, ik ben oma Femke".
Hoofddoekje had zich Femke veel anders voorgesteld. Desondanks schudde ze haar stevige hand en liet zich naar de woonkamer leiden.
"Zeg oma Femke, waarom heeft u van die grote, rode schoenen?".
"Dat is voor een eventuele watersnood, mijn kind, de poolkappen smelten gezwind".
Hoofddoekje bekeek de vrouw nog wat beter.
"Waarom heeft u geen krullen? Moeder vertelde me dat u zulke mooie krullen had".
"Ik heb mijn krultang weggedaan, alles om energie te besparen, mijn kind".
Hoofddoekje knikte.
"Maar oma Femke, waarom heeft u zo'n rode neus?".
"Och lieverd, ik heb net rode brandewijn gedronken met mijn vriend Hero".
Wacht eens even! Rode brandewijn! Had de clown die niet zo-even uit haar mandje gegrist? Hoofddoekje begon argwaan te krijgen en merkte dat er verf uit de haren van Femke sijpelde. En toen zag ze het!
"U bent die clown van vanmiddag!".
Hoofddoekje verroerde zich niet terwijl de clown zijn masker in een hoek wierp. Ze stond plotsklaps oog in oog met de Wilde Boze Geert.
"Mwhoehaha!", brulde hij grimmig, "je kunt die verblijfsvergunningen vergeten meisje! Ik heb ze allemaal opgepeuzeld, met oma Femke eraan vast als een lekkere salade verte. En nu ben jij aan de beurt, Kopvodje!".
Hoofddoekje stond aan de grond genageld. Haar laatste seconden waren geteld. Maar juist op dat moment klonk er gelach bij de voordeur. Het was eenzelfde mysterieus gelach als die middag uit het spechthol was gekomen. Ook De Wilde Boze Geert keek verschrikt op.
Met een verwoestend geweld werd de voordeur ingetrapt. Een klein kereltje met blozende wangen en een groen jagershoedje op zijn hoofd posteerde zich parmantig in de deuropening.
De Wilde Boze Geert deinsde geschrokken achteruit. Achter de jager zag Hoofddoekje opeens haar trouwe ezel staan.
"Balkje!", riep ze luid en gelukkig, "Oh Balkje, ik dacht dat je weg was".
"Ik heb je toch al die tijd gezegd dat ik nooit weg zou gaan", sprak Balkje. "Mij krijg je niet zo snel weg".
De jager stak Hoofddoekje drie verblijfsvergunningen in haar handen, terwijl hij zijn grote ogen op de Wilde Boze Geert richtte. "Ga maar snel naar huis meisje", riep de jager, "ik heb nog wat appeltjes te schillen met meneer hier".
Hoofddoekje gehoorzaamde. Ze sprong op de rug van Balkje. Samen vertrokken ze terug naar de rand van het Grote Wouterbos. Daar leefde Hoofddoekje niet zo lang (griepvirus) maar wel heel erg gelukkig.
En de Wilde Boze Geert?
Wat de jager met hem heeft gedaan, en of hij voorgoed zal zijn verdreven uit het Grote Wouterbos? Dat leest u na 9 juni!"
|