Gillen
September 1987. Een avond op een oude boerderij aan de Duitse grens.
Tijdens het uitknijpen van een steenpuist op mijn rechterbil focuste ik mij voortdurend op een glinsterende druppel zweet. Ik lag over mijn vaders schoot en keek hem vanuit mijn ooghoek aan. De zweetdruppel was op zijn slaap ontstaan. Ik had de druppel zien opkomen en zag daarna hoe ie begon te glijden. De baardstoppels op mijn vaders wang beïnvloedden de baan van het zweet. Tergend langzaam meanderde het neerwaarts. Ik voelde ondertussen hoe mijn vader al zijn krachten in zijn duimen liet samenkomen. De wandklok in de huiskamer tikte als een tijdbom de seconden weg.
De aderen onder mijn vaders slaap zwollen op. Het leken wel boomwortels onder een oud fietspad. Ik voelde dat het niet lang meer kon gaan duren anders zou mijn vader uit elkaar barsten. En inderdaad, het gebeurde.

Op het hoogtepunt van al zijn samenvloeiende krachten, gilde ik het uit. Ik kneep in de bank en sloeg verwoed uit paniek op de grond. Mijn oorverdovende gegil reikte zo ver dat de buren - we woonden nochtans riant en vrijstaand - de volgende ochtend met vragen op de stoep stonden. Nadat vader me bij de voordeur ontbood en mijn jeugdige derrière ongegeneerd als bewijsmateriaal toonde, was het misverstand wat betreft kindermishandeling uit de wereld.
Vele jaren later, na het overlijden van mijn vader en moeder, stond onze boerderij te koop in de krant. Ik belde de makelaar. Nog eenmaal wilde ik in het onderkomen van mijn verleden kijken. Onmiddellijk toen ik de woonkamer betrad, hoorde ik mijn gegil. De vreselijke gil leek in het huis te zijn achtergebleven, zoals mensen beweren dat hun overleden grootvader nog altijd in zijn fauteuil bij de haard zit.
Waarom gillen mensen eigenlijk? En wat is het? Men gilt niet zo vaak. Er zijn maar een paar situaties waarin het karakteristieke gillen gebruikelijk is. Zo is daar het spookhuis, de horrorfilm of het radeloze meisje op het balkon van een brandend flatgebouw. Vervolgens heb je de potloodventer, de ongenode muis in huis, de achtbaan, en tenslotte de steenpuist, door mijn vader uitgeknepen. Zou hij met eenzelfde kracht op de flanken van de Vesuvius hebben gedrukt, dan konden de evacuaties aldaar beginnen.
Met de vraag of gillen een oerkreet is of aanstellerige dramatiek als het gevolg van tweeduizend jaar theater en ander volksvermaak, bezocht ik een expert op het gebied. In België ontmoette ik een zekere Gilbèrt de la Touret. Tijdens het traceren van zijn verblijfplaats werd me duidelijk dat hij door zijn dorpsgenoten kortweg 'Gilles' wordt genoemd. Zij vertelden me, wijzend vanaf de drempel van hun taveerne, de kortste weg naar zijn huis.
Het was een stief kwartiertje lopen. Onderweg werd ik rakeling gepasseerd door een wielerpeloton. Ze gilden me opzij; alsof ik al in het voorgeborchte was aanbeland.
De oprijlaan van de villa van mijnheer De la Touret leek minstens zo lang als de wandeling uit het dorp. Toen ik eindelijk bij de voordeur aan kwam, stuitte ik onmiddellijk op een metalen plaat waarin met feeërieke letters "driemaal gillen" was gegraveerd. Op de deurmat stond een identieke tekst, waardoor zesmaal gillen hier gepast zou zijn. Ik bevond me in ieder geval op de juiste plek, dat kon niet anders.
Tegen beter weten in zocht ik een deurbel. Nee, nergens te zien. Bedachtzaam kneedde ik mijn kin. Er werd van me verwacht om driemaal te gillen. Na een korte aarzeling schraapte ik mijn keel. Het moest dan maar. Ik haalde diep adem, sloot mijn ogen, en concentreerde me op de steenpuist van weleer.
Drie afgestompte klanken stootten zich onhandig uit mijn keel. Het geluid leek geenszins op gillen. Ik probeerde het nogmaals, maar dan zonder diep adem te halen.
Kijk, dat klonk al veel beter. Ik leerde dat men vlak voor een goede gil geen adem dient te halen. Gillen is een uitstotende kracht. Het antwoord op mijn gil volgde onmiddellijk:
'Ik kom eraan!'.
Een snoeihard geluid knalde dwars door de voordeur van de villa naar buiten. Ik had nooit zoiets gehoord. Het was een onovertroffen gil. Ik legde mijn oor voorzichtig tegen de deur te luisteren. Binnen hoorde ik snelle voetstappen. Er rende iemand van een houten trap.
'Moment nog’, gilde dezelfde stem, ‘ik is zijn sleutelbos kwijt'. Het was wederom een oorverdovende gil. Ik wreef het geluid uit mijn oor en nam afstand van de deur om een gehoorbeschadiging te voorkomen.
Zodoende had ik wat tijd om de omgeving in me op te nemen. Op een paaltje pal naast de oprit stak een aftands, roestig plakkaat tussen een rododendron uit. Er stond een soort wapenschild op afgebeeld met twee slapende schildpadden aan weerszijden van het embleem. Onder de dieren stond de tekst "Groots erelid van het Gilde der Gillers, 1843". Het bordje bekrachtigde nogmaals dat ik hier aan het goede adres was. Het goede adres om meer over de geschiedenis van het gillen te weten te komen.
'Loopt u alstublieft even om!'. Het was diezelfde stem. Maar ditmaal kwam ie vanachter de villa vandaan. Het geluid had zich een vlijmscherpe bocht om het gebouw gebaand. Het was een vernuftige gil; een gil met effect.
Ik deed wat me werd opgedragen.
Onderweg gleed ik met mijn vingertoppen over de bladeren van een beukenhaag. Mijn voetstappen knarsten in het grind dat rondom om de villa lag. Het pand bleek nog veel groter dan ik vanaf de oprit had ingeschat. Een oud klooster, of een herenhuis, zoiets moest het ooit zijn geweest. Ondertussen rondde ik de hoek van de villa. Ik was nieuwsgierig naar wie ik aan zou treffen.
In de verte stond een boomlange en vooral dunne man. Ook zijn kleine oren vielen me op. Hij had oren als macaronischelpjes. Hoe dan ook, deze figuur moest de gillende stem van zo-even zijn, dat kon niet anders.
'Welkom!’, gilde de man me toe. Inderdaad, hij was het. ’Blijft u daar maar even staan hoor. Ik spreek gaarne over een lange afstand'.
'Prima. Wat u wilt', gilde ik terug - me bewust van de wonderlijke situatie waarin ik verzeild was geraakt. Het gillend communiceren was volslagen nieuw voor me.
'Mag ik u een paar vragen stellen?' brulde ik. De kracht van het geluid kriebelde mijn keel. Ik hoestte tweemaal flink.
'Wat zegt u mij daar, mijnheer?', antwoordde de lange man terwijl hij zijn hoofd van onbegrip schudde.
'Of ik u een páár vráágen mag stellen' schreeuwde ik nogmaals, waarbij ik met mijn handen een provisorische toeter maakte.
'U zult nochtans harder moeten praten', gilde de Vlaming, 'anders versta ik u niet. En haal die handen rondom uw mond weg, u maakt uzelf volstrekt belachelijk!'.
Zo stonden we op het brede kiezelpad als krankzinnigen over en weer te gillen. Ik probeerde de man uit te leggen wat de eer van mijn bezoek was. Maar iedere poging strandde: het kostte de slungelige man met de macaronioren teveel moeite om me te verstaan. En dat viel te begrijpen: het articulerend gillen bleek een hels karwei. Ik was absoluut geen volleerd giller. Daarnaast kreeg ik steeds meer last van een droge keel. Dit geheel in tegenspraak met mijn opponent aan de overzijde bij wie de kunst van het gillen er met de paplepel leek te zijn ingegoten. Ik kon hem dan ook prima verstaan.
'Wacht even, heeft u een moment?', gilde hij vragend met iedere klemtoon op de juiste plek.
Ik knikte.
De lange man schoot via een zijdeur de villa binnen. Een krappe minuut later keerde hij terug met een knalrode megafoon in zijn handen. Hij gooide de toeter met een gemikte slingerworp naar me toe.
‘Hier!’
Het apparaat landde recht voor me in het grind. Een briljante worp.
'Voor noodgevallen hebben wij altijd een voorraad spreektrompetten in huis', gilde hij.
Ik nam het apparaat van de grond. "Spreektrompet", stond er op; made in Belgium. Ik genoot een moment van het zeldzame woord en besnuffelde het apparaat. In het handvat zat een knop waarmee het kennelijk diende te worden aangezet. Ik waagde een poging.
'HALLO - HALLO!'.

Een zwerm spreeuwen vloog op vanuit een rij populieren naast de villa. De lange Vlaming stak zijn beide duimen tevreden in de lucht. Hij gilde dat het nu moest gaan lukken. Hij deed zelfs nog een aantal stappen achteruit. 'Zo kunnen wij u nog beter verstaan', gilde hij.
'Bent u Gilbèrt de la Touret?' sprak ik onwennig door de spreektrompet. Mijn vraag werd gevolgd door een felle sirene. Beschaamd herstelde ik de orde door het per ongeluk ingedrukte noodsein uit te schakelen.
'Gilbèrt?', gilde de man vragend. 'Wacht eens, gij komt voor mijn broeder!'.
Hij spurtte wederom de zijdeur in. Vanuit de villa klonk daarna een afgrijselijk over-en-weer gegil. Zo moest het ongeveer geklonken hebben op die avond dat mijn vader mijn steenpuist uitdrukte. De buren zouden hier echter een moordlustig schouwspel vermoeden in plaats van kindermisbruik. Ik begreep nu waarom de broers op een kwartier afstand van het dorp woonden.
Niet veel later verschenen de twee samen op het grindtoneel. Ze bleken even lang en dun te zijn, en ze hadden identieke oren als macaronischelpjes. In een flits zag ik hen als siamese tweelingbroeders. Jarenlang met mond en oor verbonden aan elkander. Dat zou een verklaring voor het gillen kunnen zijn.
'Hierzo!’, gilde de man ‘dit is onze Gilles waarvoor u op visite bent gekomen'.
Hij wees over zijn schouder naar zijn broer, die een meter of vijf achter hem was gaan staan.
Gilbèrt de la Touret gilde bevestigend terug. ‘Juist. Wat mijn broer zegt!', gilde hij. ‘Dit is mij. Met wie heb ik de eer?’
Ik probeerde de situatie nogmaals in een flits te doorgronden. U zult begrijpen dat het hier geen alledaagse kwestie betrof. Hoe dan ook, een ding was volslagen evident: op deze plaats zou ik ongetwijfeld het geheim achter de oorsprong van het gillen te weten komen. Ik bevond me op de bakermat van de gil; een grindpad, waar drie mensen op geruime afstand van elkander communiceerden. Drie mensen, waarvan een met megafoon.
Een met megafoon...
'Een moment!', gilde ik luid.
Ik slingerde de spreektrompet terug richting de voorste broer, en gilde er bevlogen op los.
Tekeningen: Meike van den Akker
|