Even aan elkaar snuffelen, en weer door.

 

Beweging

Voorin de tram spreekt een man in een spijkerjack met de bestuurder. Bij iedere halte stapt hij gastvrij opzij om reizigers te laten passeren; hij wil de beweging niet verstoren. Zelf ben ik absoluut geen man om met chauffeurs te praten, daarvoor moet je stevig in je schoenen staan. Boven de trambestuurder valt te lezen dat er niet met hem gepraat mag worden, en dat men achter een streep dient te blijven. “Het is verboden met de bestuurder te spreken”, staat er. De man in het spijkerjack treedt de regels met voeten. Wellicht kennen ze elkaar; in de verblijven van Artis geldt het “Niet voederen” tenslotte niet voor de verzorgers.

Ik staar naar buiten. Het is laat op de vrijdagmiddag en schemerdonker. De hoofdstad fietst zichzelf het weekend in. Overal stroomt de beweging. Tientallen fietsers glijden geruisloos onderaan het tramraam voorbij. Een vader houdt zijn linkerhand waakzaam boven de schouderbladen van zijn zwalkend trappende zoontje. Achter de twee een jonge vrouw, aan haar stuur bungelt een plastic boodschappentas, er steekt een preistengel uit. Daarna een wielrenner in tenue wiens weldadige snottebel over zijn grijze snor vanuit de tram is waar te nemen.
Talrijke verkeerslichten loodsen de beweging in goede banen door de straten. Zij laten gedoseerd groepen met fietsers ontstaan. Als scholen haring schieten deze vreemdelingenlegioenen door de stad, van stoplicht naar stoplicht. De leemten in de groepen, veroorzaakt door de ‘afgeslagenen’, worden ogenblikkelijk opgevuld met nieuwe, verse fietsers uit de smalle zijstraten van de mensenfabriek. Even aan elkaar snuffelen en weer door. Over ieder van hen wordt gewaakt, door stoplichten, kalkstrepen en verkeersborden: om mee te varen op de stromen van de beweging dient men haaientanden te vertrouwen.

Mijn hoofd ligt tegen het tramraam. Ik droom weg in de verplaatsing van de stad daarbuiten. Het is lang geleden dat ik op deze manier naar de beweging heb gekeken. In mijn studiejaren deed ik niets anders. Analyses maken van “De Beweging” en de dynamiek daarvan voelen door me als een papieren bootje mee te laten voeren in de stroom van de Kalverstraat of Nieuwendijk. De kolkende epicentra van de beweging. Ik werd door die straten geleid als een crowdsurfer over zijn publiek; ik hoefde enkel te vertrouwen. Altijd kwam ik op een veilige plaats terecht. Een plaats waar opnieuw over me werd gewaakt. Iedere hoek van de stad is namelijk ooit het onderwerp van een vergadering geweest. Overal is de beweging beïnvloedt. Overal zijn tellingen gemaakt van passanten of is er uitgezocht hoe de verlichting ter plekke kan bijdragen aan de veiligheid, zodat mensen niet in een stoeptegel met een lieveheersbeestje erop veranderen. Je hoeft alleen maar te vertrouwen en je over te geven. Ondoelmatig dolen door de straten is dan welhaast onmogelijk. Dit behoort uitsluitend toe aan de gemachtigden van de zelfkant; de dronkaards, de daklozen. Het leeuwendeel kan simpelweg vertrouwen op de stromen, op die zorgvuldig uitgediepte kanalen, van de beweging.

Plotseling schokken alle reizigers in de tram naar voren, alsof eenieder kort braakt.
Met witte draadjes in zijn oren - alsof hem werd ingefluisterd waar en hoe te gaan - ontsnapte zojuist een fietsende jonge knul aan de beweging. Hij betaalde de hoogste prijs. De man in het spijkerjack, die niet achter de streep stond, hield er een hoofdwond aan over.



 

 

Twitter facebook