Achtertuin
Ik parkeerde mijn auto halverwege de oprijlaan. Een toegesnelde hond trappelde met zijn voorpoten uitnodigend tegen het portier, maar ik bleef onverstoord achter het stuur zitten en staarde naar het huis waarin ik ben opgegroeid. Het leek kleiner te zijn geworden; ineengekrompen, als een leeglopend luchtkasteel.
Onderweg had ik me het uitzicht vanuit mijn slaapkamerraam eenvoudig voor de geest gehaald: de eeuwenoude populieren, die de kaarsrechte weg richting het dorp aan weerskanten omzoomden, de groene brievenbus aan de straatkant, waarin we ons verstopten om de postbode de stuipen op het lijf te jagen, en de huiskamer van de buren, met de buurman die ik de buurvrouw zag slaan. Deze beelden behoorden tot het direct opeisbaar tegoed uit mijn geheugen. Maar ook de helikoptertjes uit de esdoorn op het dak van vaders Peugeot, de maïsvelden, de sloot. Jarenlang was dit mijn venster op de wereld. Mijn slaapkamerraam was het kraaiennest waarin ik mijn naschoolse middagen en avonden sleet. Ik had er ook de politiewagens vanuit het dorp zien aankomen. Hun zwaailichten tussen de populieren, de lichten waarop ik zo lang had gewacht. Zij zouden me gaan meenemen. Maar ze namen alleen mijn broer mee, omdat ik van niks wist. Dat was nu dertig jaar geleden. Sommige mensen keren ergens terug om te kijken hoe het was; ik keerde terug om te kijken waarom ik er ben weggegaan.
Een vrouw op tuinlaarzen naderde de auto. Ze wees vriendelijk naar de hond. ‘Bsi doenies hr!’. Ik draaide mijn raam op een kier. ‘Bessy doet niets hoor!’ riep ze nogmaals. Ik stapte uit. Het beest zette zijn neus aan mijn schoenen. ‘Goed volk’, vertrouwde ik de hond toe. ‘Goed volk’.
Na een korte uitleg mocht ik een kijkje nemen in de achtertuin. Mijn achtertuin. Ik knikte begripvol toen de vrouw aangaf dat ze liever niet had dat ik binnenshuis kwam. Ik antwoordde dat ik met de achtertuin prima vooruit kon. ‘Ik zal Bessy naar binnen brengen’. Ze nam de hond bij zijn halsband. ‘U kent de weg’.
De poort naar de achtertuin was in een donkere kleur blauw geverfd. Er zat een brievenbus aan vast. De postbode moest tegenwoordig dus de oprijlaan op. Nadat ik de poort achter me toe deed werd mijn blik onverwijld naar een zandbak getrokken. Daar had de kippenren gestaan. Waar nu een geel gietertje lag zag ik de Barnevelders scharrelen, en ik hoorde tegelijkertijd de stem van mijn moeder uitvaren - toen ze mijn mond met een halve tube tandpasta schrobde - dat kippenpoep niet om op te eten was. Het hekje achterin de tuin was intact gebleven. Ook de sloot die daarachter liep. Deze was beduidend minder breed. Herinneringen dienen kennelijk te worden uitvergroot om in je hoofd te kunnen overleven.
Aan de overzijde van het slootje reikte het maïsgewas tot de horizon. Ook nu, ruim dertig jaar later, stonden de rijen snijmaïs er fier overeind. Ik herinnerde me de oogsttijd: dat donkere, spannende ronken van de maïskneuzer in de ochtend. Het hele huis rook naar gekneusde maïs. De geur bij de sloot was onveranderd. De zoete mix van pepermunt, aarde en maïs. Deze leek er te zijn vereeuwigd. Het was de dodelijke geur van de verboden seks.
‘Je moet nu meekomen’, fluisterde mijn broer. Ik mocht me nooit alleen in de maïsvelden begeven. Deed ik het toch, dan zou ik volgens mijn vader verdwalen, verhongeren, en uiteindelijk door de reigers worden aangevreten. Eelke liep die vrijdagmiddag voor me uit. Mijn broer was stevig gebouwd en een kop groter dan ik. We namen een aanloop en we sprongen over de sloot. Ik volgde hem door de gangenstelsels van het maïs. Eelke leek precies te weten waarheen hij liep. Ik verloor zijn kuiten geen seconde uit het zicht, want ik wilde niet door de reigers worden aangevreten.
Enkele minuten later stonden we op een plek waar alle stengels en liezen waren platgewalst; een graancirkel avant la lettre. ‘Hier is het’, zei mijn broer. Hij keek geconcentreerd in de rondte en liet zijn broek en onderbroek ineens tot over zijn schoenen zakken. ‘Jij ook’, dicteerde hij. Zo stonden we beiden naakt op de open plek tussen het maïs. ‘Nu moeten we wachten’ zei Eelke, en hij ging zitten.
Op een gegeven moment begon het geritsel. Het kwam uit het maïs. Het geluid kwam steeds dichterbij. Ik keek naar mijn broer maar die gaf geen kick. De stengels voor ons begonnen te bewegen. En opeens verscheen de tweeling van de buren. De meisjes struikelden de cirkel binnen alsof ze erin werden geboren.
Eelke sprong resoluut overeind en begon een van hen uit te kleden. ‘Je hebt je broertje meegenomen’, constateerde de ander. Ze keek verveeld op me neer terwijl ze behendig uit haar sandalen schoot. De twee hadden rossige haren en mandarijntjes van voor. Ik zag hoe mijn broer de buurmeisjes gretig uitpakte als sinterklaascadeautjes.
‘We gaan piemeltje-op-kutje doen’, zei Eelke, ‘er is niets aan, gewoon mij nadoen’. De meisjes waren ondertussen al op hun rug in het geplette maïs gaan liggen. Eelke zette zich boven de linker. Ik probeerde hetzelfde bij het rechter meisje te doen maar het kostte mijn armen teveel kracht om me omhoog te houden. Ik plofte neer op haar spichtige lijf. Ze slaakte een verontwaardigde gil. Eelke siste verstoord opzij. ‘Stil zijn jullie!’. ‘Je broertje is een leeghoofd’, snauwde het buurmeisje terug terwijl ze me van haar af duwde. Daarna keken we naar mijn broer en het meisje. Eelke schoof steeds sneller heen en weer. Zijn hoofd was vuurrood en hij zweette. Plotseling duwde het meisje hem van haar af. ‘Ik wil stoppen’, zei ze. ‘Ik kan het niet zo’.
Een uur later zei Eelke: ‘Jij weet van niks, begrepen?’.
Die avond wisten we beiden van niks toen er na het eten twee agenten aan tafel zaten. De buurmeisjes waren als vermist opgegeven. Eelke zei: ‘We hebben ze al een paar dagen niet meer gezien’. Mijn moeder had koffie ingeschonken met een schoteltje eronder. Bezoek kreeg altijd koffie met een schoteltje eronder.
De volgende ochtend werden we gewekt door een helikopter die laag boven de maïsvelden hing. Ik dacht nog dat het een maïskneuzer was, maar het was die helikopter. ‘s Middags namen ze Eelke mee achterin een politiewagen. Vanuit mijn kraaiennest hadden we samen de zwaailichten tussen de populieren zien naderen. Eelke fluisterde: ‘Jij blijft van niks weten, beloofd?’.
‘Bessy, hier!’. Ik herkende de stem van de vrouw. De hond verscheen kwispelend bij de sloot. Ik aaide hem over zijn bol.
Sinds de dag dat ze Eelke opsloten zag ik vanaf mijn vensterbank hoe de buurman de buurvrouw sloeg. Jarenlang zat ik in mijn raamkozijn, en jarenlang sloeg hij haar. Ik deed ondertussen wat ik mijn broer had beloofd: ik wist van niks. Eelke had een dag voor kerstavond een bureaustoel op wieltjes onder zich uit geschoven met zijn schoenveters om zijn nek. Op mijn achttiende verliet ik het huis. Ik beloofde mezelf dat ik er nooit meer terug zou keren.
Ik sloot het hekje. De hond liep voor me uit. ‘Die zandbak daar, dat was vroeger een kippenhok’, zei de vrouw die me opwachtte. Ze leek zich te verontschuldigen dat ze de achtertuin had veranderd. ‘De kinderen wilden per se een zandbak, en wij vonden dat eigenlijk wel best: het houdt ze weg van de sloot en het maïsveld, daar zijn rare dingen gebeurd’.
‘Ja’, zei ik, ‘rare dingen’.
Ik bedankte haar. Via de poort verliet ik de achtertuin. Vanaf de oprijlaan keek ik nog even omhoog naar mijn kraaiennest. Het kozijn was geverfd, en er hingen jaloezieën. Het huis van de buren stond te koop.
uit de serie: Olivier Onderstreept
|