Hollywood
verhaal voor: HP / De Tijd

Het is als het zaallicht van een theater. Langzaam treedt het duister in. Dan verschijnen de eerste beelden. Mijn grootvader vertelde me ooit dat je droom de mooiste en goedkoopste film is. Dan zat ie op de rand van mijn bed, met zijn grote handen tussen zijn knieën gevouwen. Op de achtergrond bubbelde mijn aquarium. Met dat geluid viel ik in slaap en gaf ik me over aan de beelden van de dag. De zandbak. Het blonde meisje in de schoolbank schuin achter me. Die zuivere beelden hebben in de loop der jaren concurrentie gekregen.

Eergisteren speelde Bruce Willis een kleine rol. Ik was de held, hij wees me op geheime uitgangen om te overleven. En vannacht vloog ik boven Parijs, op de rug van de hond van 'The Never Ending Story'. Beelden van beelden. Vage bekenden van het witte doek die ik omhels of vertrouw als vrienden. Ze keren geregeld terug in mijn slaap. 
Maar het is niet alleen de projectie van de cinema die aan de binnenkant van mijn ogen weerkaatst. Ook andere media verwelkom ik 's nachts. Zo doolde ik laatst door huiskamers die ik op Marktplaats had gezien - ik was die middag ijverig op zoek geweest naar een tweedehands hoekbank. En omdat ik het nieuws aardig bijhoud ben ik al met Geert Wilders in Turkije geweest. Althans, we zaten samen in het vliegtuig. Op de airport ben ik hem uit het oog verloren. Wilde ik met hem naar Turkije? Zeker niet. Maar Teletekst, de Volkskrant, HP de Tijd: allen sponsorden ze mijn reis.

Iedere ochtend schrijf ik over deze dromen. Mijn filmscripts, gespeend van rode draden en gezonde narratieve elementen. Het zijn aaneengeregen korte fragmenten. Geen Hollywood producer die er wat in zal zien - hoogstens David Lynch, hij zou er wellicht nog iets van kunnen brouwen.
Mijn beleving wordt steeds meer vormgegeven door beelden van buitenaf. Ik importeer ze probleemloos. Zelfs in mijn dromen is er geen ontkomen aan de media. Dit besefte ik toen ik nog niet zo lang geleden werd geïnterviewd door Rutger van GeenStijl. Slechts een paar keer in actie gezien, maar ongevraagd sloop die meneer met zijn roze microfoon mijn slaapkamer binnen. Mijn vriendin mompelt nu vlak voordat ze gaat slapen dat ze in de dromenvideotheek staat. Meestal heeft ze er dan al eentje uitgezocht. Gaarne de volgende ochtend retourneren. Het is zelfs zo dat films die we 's avonds samen hebben gekeken, in de nacht een vervolg krijgen. Zo bleek dat het met de fabuleuze Amélie Poulain en haar kersverse geliefde absoluut niet zo goed afliep als het einde van de film deed vermoeden. Na twee dagen had ze hem al de deur gewezen - en begon ze een innige relatie met mij. Misschien droomde mijn vriendin hetzelfde, en dan werd Amélie haar huis uit gebonjourd. Meestal spreken we 's ochtends over onze dromen. Wanneer zij zwijgt houd ik er rekening mee dat ze die nacht is vreemdgegaan.

Ik kom er niet meer onderuit. Mijn dromen gaan niet meer over zandkastelen en prinsessen zoals in de jeugdige jaren toen ik onder mijn Ajax dekbed de oogjes sloot. De beeldcultuur heeft het zuivere karakter van mijn verbeelding aangetast. Hollywood heeft een projector in mijn hoofd weten te krijgen. Welke film er vanavond draait? Tot op heden een verrassing. Maar ik zal het ongetwijfeld vannacht, als het zaallicht weer langzaam wordt gedimd, gaan beleven.

 
New York
in birdflight

De portieren van deuren loeren als hoeren achter hun ramen om de rijken verder in de lift te helpen.
Twee sirene's verderop staat een straatverkoper zijn hotdogs koud te kijken. Voor de zoveelste keer telt hij zijn briefgeld. Hij kent alle presidentsportretten uit zijn hoofd.
Hoe
een
nek
stijf
te
kijken.
Een glazenwasser prikt in de wolken. Druppels vallen op het trottoir - afval van een airco?
Taxichauffeurs, uitheemse ridders van de paardenkracht galopperen van de zesde naar de zesenzeventigste op de tweede. Rechttoe rechtaan sturen zij de hoeken om; enkel Central Park kent overdag een flauwe bocht. In de avonduren laten doodlopers er hun vet achter.

Geen stukje kostbare aarde is hier onaangeraakt. Manhattan: antoniem van het onbewoonde eiland. Hudson zou eens moeten weten.
7:35 AM. Als de eerste hamburger van Manhattan wordt omgedraaid wordt de negentienduizendste koffieboon vermalen. Meer energie komt vrij op straat. Een marathon van grote bekers gedraagt zich als estafettestokken door de avenues. Een roemloze finish in een prullenbak.
'Zao', klinkt het in Chinatown. 'Buongiorno', is het antwoord aan de overkant van de straat. Nergens ter wereld liggen China en Italië zo dicht (en open) tegen elkaar aan als in New York City. De Wall-street ligt evenwel wat verderop.
Het metrolijnenstelse, een kleurenpalet aan stomdronken spinrag. De vloer van een gymzaal. Zittend op een bankje. Doorschuiven met klamme jeugdbilletjes. Wachten tot je aan de beurt bent met honkbal. Drie uit. Wisselen!
Met je paspoort Budweiser bestellen: vreemd, doch niet meer dan logisch want je gaat op doorreis naar een andere wereld. A one-way ticket to Alcohol, please. De return vindt de volgende ochtend plaats.
De twee verstandkiezen van Manhattan zijn getrokken door een Arabische kwakzalver. In de gapende gaten, eens nog zo bloederig vol zeer, worden momenteel kruiwagens cement gekieperd. Een nieuw doelwit herrijst: de Vrijheidstoren, residentie van het Vrijheidsbeeld. Eindelijk thuis en een dak boven het hoofd!

's Avonds vanuit het vliegtuigraampje kijken de gapers neer op een lege sokkel.
Een wonderlijke zonsondergang kleurt de meren van Newfoundland. Mooier was een vliegreis nooit.
Tenslotte: terug vanuit de grote appel. Het voetbalkampioenschap in de volle gang: mannen van in de veertig met oranje petjes op Schiphol.
Een bittere hap in de megalomane sinaasappel.

 

 
 
Een onbehaaglijk vrijheidspraatje
column voor: Het Manifest van de Vrijheid // Liberty City, 5 mei Felix Meritis Amsterdam

Lodewijk Asscher realiseerde zich ‘opeens hoe fragiel vrijheid eigenlijk is’  nadat een mafkees had besloten om zijn keel op de Dam eens luid open te zetten, met een ongelukkige massabeweging als  gevolg. Wat bedoelde Asscher hier eigenlijk mee? Over welke aangetaste vrijheid had de waarnemend burgemeester het? Had hij het over de twee minuten stilzwijgen die werden verstoord? Het onbehagen bij Hare Majesteit die een behouden sprintje moest trekken? Hoogstwaarschijnlijk doelde hij tijdens de persconferentie op het zo plots aangetaste collectieve gevoel van vrijheid. Maar het woord vrijheid is hier volledig misplaatst. De situatie op het plein betrof enkel een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Deze had niets te maken met het ontnemen van vrijheid. Eerder met veiligheid, dat het denkbeeld over vrijheid in de discussie al decennia gijzelt. Beiden zeulen het onbehagen reeds vele eeuwen als een menhir mee.

Wat tevens opvalt in Asschers verklaring is het woordje ‘opeens’. Realiseert hij zich dan nu pas dat het onbehagen nauw verbonden is met de beleving van vrijheid? De beroerdigheid op de Dam belichaamde die twee begrippen in een treffende paradox. Want was de schreeuw van de man niet juist een ultieme expressie van persoonlijke vrijheid? Wie leest over zijn woeste armbewegingen denkt wellicht aan de hulk die zich met danig oergeweld van zijn knellende hemd ontdoet. 'Rarrhh!'. Het gadeslaande publiek ging daarentegen gebukt onder het onbehagen en zette het op een lopen. Lodewijk Asscher realiseerde zich op dat moment opeens hoe fragiel de vrijheid is. Maar voelden de mensen op de Dam zich ook daadwerkelijk aangetast in hun vrijheid? Dit valt alleszins te betwijfelen.
Het jezelf in veiligheid brengen wordt hier abusievelijk verward met het veel complexere begrip vrijheid. Het is immers niet meer dan vanzelfsprekend dat iedereen wegrent voor een ontketende hulk. Beter was het geweest wanneer Asscher had gezegd dat hij ‘zich opeens realiseerde hoe volstrekt oncontroleerbaar veiligheid eigenlijk is’. Vrijheid is een tendentieus modewoord dat door politici steeds vaker in één adem met de veiligheid wordt genoemd. Hun betekenissen liggen echter mijlenver uit elkaar. Dat de toestand op de Dam aan de vooravond van onze Bevrijdingsdag plaatsvond heeft de woordkeuze van Asscher vermoedelijk beïnvloed. Of wist hij niet beter? In ieder geval bleek het ondefinieerbare onbehagen vanuit alle hoeken gesterkt te worden door het wantrouwen in de vaderlandse veiligheid. Het publiek vluchtte namelijk niet voor de hulk, het nam de benen voor de imaginaire staatsvijanden: brullende berbers op kamelen die met bebloede kapmessen op nekhoogte door het publiek zwaaiden. En de Karstens T's, de V. van de Graven, de Mohammed B's. Hun subjectieve daden worden namelijk keurig in stand gehouden door een aantal bedrijvige politici (en een waarnemend burgemeester) door ze onophoudelijk en stringent te verbinden aan onze vrijheid. Er lijkt geen ontkomen meer aan.

Heel anders gaat het eraan toe wanneer oud-burgemeester Job Cohen een dag later in Felix Meritis over zijn persoonlijke beleving van vrijheid spreekt. Voor de toehoorder is het aanvankelijk onduidelijk of Cohen als PVDA-voorman, als oud-burgemeester, of als zichzelf spreekt. Over de veiligheid rept de ambteloze Amsterdamse burger echter met geen woord. Ook zegt hij niets over de gebeurtenis op de Dam. Misschien om grappen als ‘wellicht had hij de boel daar wel bij elkaar kunnen houden’ te ontlopen. Maar wat had praktiserend burgervader Cohen op de persconferentie na het incident gezegd? En wat zou de politicus van De Schreeuw vinden? Zouden zij het woord vrijheid ook in de mond hebben genomen? Het antwoord op deze vragen blijft uit. De toehoorder in Felix Meritis ziet en hoort op 5 mei enkel de mens achter de politicus. Onder het toeziend oog van zijn vrouw en een volle zaal herdenkt Cohen de oorlog, en oppert hij dat vrijheid in toenemende mate begint bij persoonlijk besef.  Vrijheid koppelen aan veiligheid laat Cohen op Bevrijdingsdag wijselijk over aan de politici.

 
Gillen: nader verklaard
onderzoeksjournalistiek / beelden Meike van den Akker

September 1987. Een najaarsavond in het zuidoosten van Nederland. Tijdens het uitknijpen van een steenpuist op mijn rechterbil focuste ik me op een zweetdruppel die langzaam over de slaap van mijn vader gleed. Ik zag hoe hij al zijn krachten aanspande. Zijn aderen leken boomwortels. Op het hoogtepunt van het persen gilde ik het uit. Ik gilde zelfs zo hard dat de buren de volgende ochtend met een paar vragen op de stoep stonden. Maar nadat vader me bij de voordeur ontbood en mijn broekje ongegeneerd als bewijsmateriaal had laten zakken, was het misverstand wat betreft kindermishandeling uit de wereld. Jaren later houdt dit voorval me echter opnieuw bezig.

Waarom gillen mensen eigenlijk? En wat is het?
Men gilt niet zo vaak. Er zijn maar een paar situaties waarin het karakteristieke gillen gebruikelijk is. Zo is daar het spookhuis, de horrorfilm of het radeloze meisje op het balkon van een brandend flatgebouw. Vervolgens heb je de potloodventer, de ongenode muis in huis, de achtbaan, en tenslotte de steenpuist: door mijn vader uitgeknepen. Zou hij met eenzelfde kracht op de flanken van de Vesuvius hebben gedrukt dan konden de evacuaties beginnen.
Met de vraag of gillen een oerkreet is of aanstellerige dramatiek als het gevolg van tweeduizend jaar theater en ander volksvermaak, bezocht ik een expert op het gebied. In België ontmoette ik een zekere Gilbèrt de la Touret. Tijdens het traceren van zijn verblijfplaats werd me duidelijk dat hij door zijn dorpsgenoten kortweg 'Gilles' wordt genoemd. Zij wezen me de weg naar zijn huis.

De oprijlaan was zo lang als de wandeling uit het dorp. Toen ik eindelijk bij de voordeur stond, stuitte ik op een metalen plaat waarin met feeërieke letters "driemaal gillen" was gegraveerd. Op de deurmat stond een identieke tekst, waardoor zesmaal gillen hier niet ongepast zou zijn. Ik bevond me hoe dan ook op de juiste plek, dat kon niet anders
Tegen beter weten in speurde ik naar een deurbel. Nee, nergens te zien. Bedachtzaam kneedde ik mijn kin. Er werd hier dus van me verwacht om driemaal te gillen. Na een kleine aarzeling schraapte ik mijn keel. Het moest dan maar. Ik haalde diep adem, sloot mijn ogen, en concentreerde me op de steenpuist van weleer.
Drie afgestompte klanken stootten uit mijn keel. Het geluid leek geenszins op gillen. Ik probeerde het nogmaals, maar dan zonder diep adem te halen. Kijk, dat klonk al veel beter. Ik leerde hier dat voor een goede gil absoluut géén sloot adem dient te worden gehaald. Gillen is een uitstotende kracht.

'Ik kom eraan!'. 
Een spijkerharde gil knalde dwars door het hout van de voordeur naar buiten. Ik had nooit zoiets gehoord. Het was een onovertroffen gil. 
Ik legde mijn oor voorzichtig tegen de voordeur van de villa te luisteren. Binnen hoorde ik voetstappen. Er rende iemand van een trap.
'Moment nog’, gilde dezelfde stem, ‘ik is zijn sleutelbos kwijt'. Het was wederom een oorverdovende gil. Ik wreef in mijn oor en nam afstand van de deur om een gehoorbeschadiging te voorkomen.
Zo had ik wat tijd om de omgeving in me op te nemen. Op een paaltje naast de oprit stak een oud plakkaat tussen een rododendron uit. Er stond een Romeins wapenschild op afgebeeld met twee slapende schildpadden aan weerszijden van het embleem. Onder de dieren stond de tekst "Groot erelid van het Gilde der Gillers, 1843". Het bordje bekrachtigde nogmaals dat ik aan het goede adres was om meer over het gillen te weten te komen.

'Loopt u alstublieft even om', klonk er plotseling. Weer die stem. Maar ditmaal kwam het gegil vanachter de villa vandaan. Het geluid had zich een vlijmscherpe bocht om het gebouw gebaand. Een vernuftige gil; een gil met effect.
Ik deed wat me werd opgedragen.
Onderweg gleed ik met mijn vingertoppen over de bladeren van een beukenhaag. Mijn voetstappen knarsten in het grind dat rondom om de villa lag. Het pand bleek veel groter dan ik vanaf de oprit had ingeschat. Een oud klooster, of een herenhuis, zoiets moest het ooit zijn geweest. Ondertussen rondde ik de hoek van de villa. Ik was bijzonder nieuwsgierig naar wie ik aan zou treffen.
In de verte stond een boomlange, dunne man. Vanwege de lengte kwam hij klunzig op me over. Ook zijn kleine oren vielen me op. Hij had oren als macaronischelpjes. Hoe dan ook, deze figuur moest de gillende stem van zo-even zijn, dat kon niet anders.
'Welkom!’, gilde de man me toe. Inderdaad, hij was het. ’Blijft u daar maar even staan. Ik spreek gaarne over een lange afstand'.
'Prima. Wat u wilt', gilde ik terug - me bewust van de wonderlijke situatie waarin ik verzeild was geraakt. Het gillend communiceren was volslagen nieuw voor me.

'Mag ik u een paar vragen stellen?' brulde ik. De kracht van het geluid verstoorde mijn keel. Ik hoestte een paar maal flink.
'Wat zegt u mij daar, mijnheer?', antwoordde de lange man terwijl hij zijn hoofd van onbegrip schudde.
'Of ik u een páár vráágen mag stellen' schreeuwde ik nogmaals, waarbij ik met mijn handen een provisorische toeter maakte.
'U zult nochtans harder moeten praten', gilde de Vlaming, 'anders versta ik u niet. En haal die handen rondom uw mond weg, u maakt uzelf volstrekt belachelijk!'.

Zo stonden we op het brede kiezelpad als krankzinnigen over en weer te gillen. Ik probeerde de man uit te leggen wat de eer van mijn bezoek was. Maar iedere poging strandde: het kostte de slungelige man met de macaronioren teveel moeite om me te verstaan. Dat was niet vreemd: het goed articulerend gillen bleek een hels karwei. Ik was ook absoluut geen volleerd giller. Daarnaast kreeg ik steeds meer last van mijn droge keel. Dit in tegenspraak met mijn opponent aan de overzijde bij wie de kunst van het gillen er met de paplepel leek te zijn ingegoten. Ik kon hem dan ook prima verstaan.
'Wacht eens even, heeft u een moment?', gilde hij vragend.

De man rende via een zijdeur de villa binnen. Een krappe minuut later keerde hij terug met een knalrode megafoon in zijn handen. Hij gooide de toeter met een slingerworp naar me toe.
‘Hier!’ 
Het apparaat viel voor de neus van mijn rechterschoen in het grind. Een briljant gemikte worp.
'Voor noodgevallen hebben wij altijd een voorraad spreektrompetten in huis', gilde hij.
Ik pakte het apparaat op uit het kiezelgrind. Er stond "spreektrompet" op; Made in Belgium. Ik genoot een moment van het zeldzame woord en besnuffelde het apparaat.  In het handvat zat een knop waarmee het moest worden aangezet. Ik waagde een poging.
'HALLO - HALLO!'.

 
Een zwerm spreeuwen vloog op vanuit een rij populieren naast de villa. De Vlaming stak zijn beide duimen tevreden in de lucht. Hij gilde dat het nu moest gaan lukken, en hij deed zelfs nog een aantal stappen achteruit. 'Zo kunnen wij u nog beter verstaan', gilde hij.

'Bent u Gilbèrt de la Touret?' sprak ik onwennig door de spreektrompet. Mijn vraag werd gevolgd door een felle sirene. Beschaamd herstelde ik de orde door het per ongeluk ingedrukte noodsein uit te schakelen.
'Gilbèrt?', gilde de man vragend. 'Wacht eens, u komt voor mijn broeder!'.
Hij spurtte wederom de zijdeur in. Vanuit de villa klonk een afgrijselijk over-en-weer gegil. Zo moest het ongeveer geklonken hebben toen vader mijn steenpuist uitdrukte. De buren zouden hier echter een moordlustig schouwspel vermoeden in plaats van kindermisbruik, en ogenblikkelijk de noodhulpdiensten alarmeren. Ik begreep nu ook waarom de broers zo afgelegen en ver uit het dorp woonden.

Niet veel later verschenen de twee broers samen op het grindtoneel. Ze bleken even lang te zijn, en ze hadden identieke oren als macaronischelpjes.
'Hierzo!’, gilde de man ‘dit is onze Gilles waarvoor u op visite komt'. 
Hij wees over zijn schouder naar zijn broer, die een meter of vijf achter hem was gaan staan.
Gilbèrt gilde bevestigend terug. ‘Juist. Wat mijn broer zegt!', gilde hij. ‘Dit is mij. Met wie heb ik de eer?’
Ik probeerde de situatie te doorgronden. U zult begrijpen dat het hier geen alledaagse kwestie betrof. Maar hoe dan ook, een ding was volslagen evident: op deze plaats zou ik het geheim achter de oorsprong van het gillen te weten komen. Ik bevond me op de bakermat van de gil. Een grindpad, waar drie mensen op geruime afstand van elkander communiceerden. Drie mensen, waarvan een met megafoon.
Eén met megafoon...
'Moment!', gilde ik.
Ik slingerde de spreektrompet terug richting de voorste broer, en gilde er bevlogen op los.

 
Een disco in San Francisco
column voor: De Pers

We zouden door de regen lopen, dat voelde zo lekker vreemd. We hadden het idee in handen als het recept voor een lekkere maaltijd. Nu nog koken.
We zouden altijd zoveel. Maar zoveel, kost tijd.
'We moeten wel ergens naartoe', zei ik. Ik kan het namelijk niet: nergens naartoe lopen. Vaak geprobeerd, maar telkens verloren. Wie nergens naartoe loopt keert altijd ergens terug. Dat besef schept een doel.
'Wees niet bang, mijn lief', zei je. 
Je stem streelde me, als zo vaak.
'Wij gaan ergens naartoe. Ik weet zelfs al waarheen.'

Je trok je jas aan.
'Wij lopen naar een disco in San Francisco', zei je zonder te lachen.
Een disco in... ja: dat vond ik een fijn idee.
'Het is wel wat ver', sprak ik berekenend, 'wacht, dan trek ik een paar andere schoenen aan'.
Doch voor ik die kans kreeg pakte je mijn arm. De deur uit. Met bakken kwam het uit de hemel. Zorgeloos hapten we naar het water. We liepen door de regen.
Toen over een brug; onze eerste op weg naar een disco in San Francisco.

We zeiden niet veel, maar genoeg. Genoeg zeggen is niet zo eenvoudig.
Opeens pakte je mijn hand.
Dat vond ik vreselijk.
Ik kan het niet: hand in hand lopen.
Ik ben alleen maar bezig met het idee dat je ooit weer los laat.

En je liet los.
Het deed me beseffen dat we zeiknat werden.
We zouden samen door de regen lopen. Maar het lukte niet. Het voelde niet lekker vreemd.
We zochten naar iets dat we allang hadden gevonden.
Iets, dat zich voor onze ogen afspeelde.
We keken veel te ver.
In de verte, ja daar ergens, daar zou het moeten liggen: het mooie San Francisco. 'En dan de disco nog vinden', zeiden we tegen elkaar.
Het gaat niet om het doel, maar om de weg ernaar toe.
Mannen met grijze baarden. Je hoort het ze zeggen.
Maak dit jezelf maar wijs wanneer je door de regen loopt, op weg naar een disco in San Francisco.
Alleen zij die nergens naartoe lopen kunnen hand in hand door de regen gaan.

 
Herfst
een der vier jaargetijden

Koude luchten zuchten lage landen binnen en verdrijven wolken verschrokken gevogelte met biezen zuidwaarts, neerdalend op restanten van onze zomervakanties. 
De bladeren kleuren pamfletten voor de herfst. Gekerfde oudjes, krampachtig vastgeklampt aan takken als de zwakste spijkerbroekenhangers boven braderiewateren. Een voor een bezwijken ze. Op de korsten van weerbarstig veranderende gronden dalen deze bewusteloze parachutisten neer. Enkelen worden bruusk van oprijlanen en spoorlijnbanen afgeblazen omdat het denderende jaargetijde ongehinderd verder tijgt. Roemloos worden de morsdoden in ledige bermen ter aarde besteld en aanstonds met een blanco laken in een misttroostig slotakkoord afgedekt.

Weldra breekt hedendaags schemerdonker aan. Het zoveelste opdoeken van een nacht waarbij het roerige levenslicht van verlate kroeglopers met de ochtenddauw om hun kuiten meedogenloos over de sleep van suppletoir beddengoed struikelt.
Opstaan! De gewekte mens wenst zich werkeloos of dood. Het snoozen der losers is begonnen. 
Voorbij het middaguur schiet chocoladekleurig knolgewas uit aangeklede keukentafels. Lauwwarme bovenlipsnorren en een gulle glimlach: Kijk mama, ik ben een Turk! Lusten jullie daar een speculaasje bij? 
Bovenin de slaapkamer ontvouwt de bruidssluier met slagvelden verdord muggenbloed zich onteerd in een verre kast. Een oude pyjama valt er amechtig uit. Het raam blijft dicht. En, beter geen sokken aan als je slaapt. 

In de stad herinneren billboards met doorgestreepte prijzen aan oorden en eertijdse zonnewarmte. Vrachtauto's bestoken thans de straten met hun bedompt stomende walmen op kniehoogte. Daarboven snijdt het vlijmende regenwater de oogkassen van wegduikende fietsers met ernstige gezichten. Ganzenwijn vermengd zoetige haarlak. Bronranja, die via kruinen en gelaten over verschraalde bovenlippen sijpelt. Bij passerende haltes blazen kleumende verjaardagsgasten hersenschimmig kaarsen uit in hun schier dichtgevouwen klauwen. 
Eenmaal thuis, de paraplu druipt tegen de deur, een verzopen poortwachter. Prinses in het hemelwater. Wie draagt een paraplu wanneer het niet regent? 
Hoor bij het voetenvegen ook het driftige getik van roterend aardgas: zie, de warmte is niet meer gratis. En, de schuilplaats van de huisspin in de meterkast is verraden. De kleding over de radiator nat niesend. Nog een keer, dan schielijk onder sprei op de bank. Wie alleen is vereenzaamt, daar waar verliefden met lenig opgetrokken benen bodemloos in hun duurzame nesten bij de beeldbuis pluizen. De wangen wellustig bloos kleurend aan dampende mokken. Zullen we alvast surpriselootjes voor in december? Zo lijkt het samenzijn fijn. 

In het weekeinde mag de slaap indutten, doch, op zondagmiddag de afdrukken van paarse modderlaarsjes die in koortsachtig tempo door het bos... Rennen jongens! Een tamme kastanje in de bek van een domme hond die erachteraan... Laat hem niet rennen. Los! Foei! 
Kinderen met nazomerse wangen persen verse wouden zuurstof door hun schelmse snotterneuzen, en in de stationwagen liggen de regenjassen klaar voor de zekerheid. 
Dansen in heksenkringen op de olijke wijsjes uit lichtbroze eikeldopjes. Waar kun je nog meer op fluiten, mama? 
Huppelend smullen van een door de eekhoorn afgedane beukennoot.
'Nee jongens, deze kun je niet eten'. 
'Au!' 
Geprikt aan de egeljas van een kastanje. Maar: sponzig mos poldert het vallende traanvocht na een donzige landing vakkundig en attent in. Tenslotte de natuur in een klamme jaszak tussen een verdwaald snoeppapiertje ontvreemd; een eikenblad kado voor oma, die mopperend met griep op bed ligt. 'Hela. Die vieze modderlaarzen uit, schavuit!' 

De klok mag vandaag of morgen beginnen een uur goed te maken. Een achterstand die bij zomerse wedergeboorte tijdig teniet wordt gedaan met een verpletterende demarrage. 
Dronken luieren de eerste donkere dagen van het najaar tenslotte op bed. Buiten glijdt een dromende wind in gedachten over rillende takken. Het valt, het staat. Wollig en vrij springen over - en verdrinken in - plassen vol duistere geilheid, tot aan de gerimpelden der jaren toe. 
Een moedige liefde voor een nadaagse zonde. Alsof de zomer nog tot laat buiten speelt.
Iedereen leeft de herfst in.

 
Hersenklanken
//

Vandaag werd ik eindelijk weer gebeld. 
Om kwart over drie.
Althans, ik meende dat de telefoon...
Het bleek mijn verbeelding. De fantoomfoon. 

Gisteren hoorde ik stemmen. Vreemde en bekende. 
Ik hoorde moeder roepen. 
"De soep is opgeschept", riep ze.
Vertrouwde stemmen.

En morgen. Morgen is mijn hoofd een jukebox. 
Ik zal Fats Domino draaien. 
Of dat ene nummer van Diettrich. 
Daarna mijn vlotte gympen nog eens aan. 
De huiskamer, de boogie. All night long. 

De nacht. Zoveel ruimte.

's Ochtends lijkt het stil. 
Buiten beweegt een mees.
Dat is alvast iets.
Mijn hoofd... nee, nog niets. Voor even.
Want daar komen de stemmen weer. 
Het is al vroeg gezellig.
'Koffie iemand? Koekje?'.
We staan op. Douchen saampjes. 
Afdrogen.

Iedereen druppelt binnen.
"Weet je nog, wij, voor het eerst met onze tong aan zo'n batterij?"
Een dag, twee avonden. Een komen en gaan. 
Door het gedruis heen hoor ik soms mezelf

 
Hoofddoekje
een politiek sprookje voor 'De Linkse Kerkdienst' - De Duif Amsterdam / beelden Meike van den Akker

Er was eens een jong meisje dat Hoofddoekje heette. Ze werd zo genoemd omdat ze altijd een hoofddoekje droeg. De rode hijaab had ze van haar zieke vader gekregen. "Hij zal je altijd en overal beschermen" vertrouwde hij haar toe. Een paar dagen later blies vader zijn laatste adem uit. Inmiddels woonde Hoofddoekje met haar moeder en broertje in een rijtjeshuis aan de rand van het Grote Wouterbos. De familie leefde er een onzeker bestaan. 
Op een dag stuurde moeder Hoofddoekje op pad voor een opdracht: de verblijfsvergunningen moesten worden verlengd. Dit was een gevaarlijke onderneming. Hoofddoekje moest hiervoor in haar eentje het Grote Wouterbos doorkruisen. Haar hart sloeg steevast over wanneer ze de naam van dit bos hoorde. Ze had namelijk een grote vrees voor de Wilde Boze Geert, die zich ergens in het woud schuilhield. Maar moeder vond haar dochter nu oud genoeg om alleen op pad te gaan. "Je spreekt de taal goed", zei ze, "en je broertje wil het niet doen".

Moeders wil geschiedde. De volgende ochtend vertrok Hoofddoekje met een mandje vol traditionele lekkernijen, in de richting van het bos. Ze droeg boterbabbelaars, Haagse Hopjes en zoethout met zich mee. Er lag ook een fles rode brandewijn onderin.Moeder beweerde dat ze de aloude zoetigheden en de drank goed kon gebruiken om figuren in het Wouterbos mee om te kopen. Toch vertrouwde Hoofddoekje liever op de rode hijaab van haar vader.

Tot aan de rand van het bos werd ze gevolgd door Balkje, haar trouwe ezel. Zijn poten waren ingezwachteld omdat hij zich vier keer aan eenzelfde steen had gestoten. Balkje wilde haar vergezellen, maar Hoofddoekje legde hem uit dat ze ditmaal alleen moest gaan. 
"Maar, ik moet je beschermen tegen de Wilde Boze Geert, toch!?", had Balkje geroepen, waarop Hoofddoekje de inhoud van haar mandje toonde.
"En ik denk niet dat jij mij beschermen kunt, Balkje", vervolgde ze, "je bent immers maar een ezel".

Hoofddoekje zette de oordopjes van haar IPod stevig onder de hijaab vast, en huppelde het bos in. Ze luisterde naar een vrolijk hoorspel: Achmed Jodenkus Smak, een verzoeningsparabel gezongen door Herman van Veen. Ze vond het fijne reismuziek.
Geleidelijk loste het daglicht in haar kielzog op. Zo wandelde Hoofddoekje over een donker pad het Grote Wouterbos in. Maar na een paar minuten haalde ze de dopjes al uit haar oren. Het duister werd haar veel te griezelig. Ze wilde op haar hoede te zijn, en dat was niet ten onrechte. Vanuit de verte klonken schimmige geluiden. Onheilspellend wolvengejank, politiesirenes. Ze was een vreemde wereld binnengestapt waar de angst leek te regeren. Er drong nauwelijks daglicht door. En dan was daar ook nog de dreiging van die Wilde Boze Geert die zich sluw door de bomen zou bewegen. Hoofddoekje had niet heel veel over hem gehoord. Ze wist dat -ie uit Venlo kwam, en dat hij absoluut niet van hoofddoekjes hield. Denkend aan dat laatste schoten er ijskoude rillingen door haar lijf.

Om de spanning te bezweren verzon ze wat liedjes. Maar net toen ze 'Ga naar oma Femke verblijfsvergunninkje halen, in het bos in het bos' zong, doemde uit het duister een lange clown op. Hij stond midden op het pad. Hoofddoekje voelde haar hartje tekeer gaan. De clown droeg een woelige haardos op zijn hoofd. Het haar was rood geverfd, dat zag ze onmiddellijk. Langzaam stapte hij dichterbij.

"Wel wel, waar ga jij hene, zo alleen?", vroeg de clown toen hij tegenover haar stond.
"Naar oma Femke, meneer".
"Zo zo, naar oma Femke", herhaalde de clown verbitterd, "en wat gaan we daar doen?".
"De verblijfsvergunningen verlengen", jubelde Hoofddoekje voorzichtig, "voor mijn hele familie!".
De clown begon nerveus aan zijn kruin te krabben. Het leek of zijn hoofdhuid jeukte. Terwijl hij krabde zag Hoofddoekje een stoffen labeltje dat op de mouw van zijn clownspak was gespeld. "Carnavalswinkel De Rode Neus - Venlo"stond erop. Ze schrok.

"K-Komt u uit Venlo?", stamelde Hoofddoekje.
"Je bent knettergek!", antwoordde de clown verontwaardigd, "hoe komde gij daar nu bij?"
"Nou, op uw mouw staat...".
De clown bekeek zijn kostuum. Daarna lachte hij. Hij legde Hoofddoekje uit dat het al een oud pak was, maar dat de mensen het nog steeds prima vonden. "De mensen houden van hoe het ooit was", wist de clown. 
"Zeg eens meisje", vervolgde hij terwijl hij in zijn handen wreef", vind je het niet gevaarlijk om zo alleen door het Grote Wouterbos te lopen?".
Hoofddoekje schudde haar hoofd. "Nee hoor".
Ze verzweeg de kracht van haar hijaab en liet hem de inhoud van haar mandje vol zoetigheden zien. "Hiermee zal ik mij redden. Wilt u misschien een stengel zoethout?"
De clown nam het zoethout gretig aan. Hij krabde ermee op zijn hoofd en peuterde er een moment mee in zijn neus. En toen, zonder te vragen, griste hij de fles rode brandewijn onder uit het mandje. Hij verdween ermee in een uiterst rechtse richting. 'Dat was een merkwaardige ontmoeting', dacht Hoofddoekje.

Op het moment dat ze haar weg wilde vervolgen, klonk er vanuit een klein spechthol een vrolijk gelach. Hoofddoekje keek omhoog naar de oude eik waarin zich het spechthol bevond. Ze riep de specht. "Specht", riep ze. "Kereltje specht". Maar er kwam geen reactie. Ze hoorde enkel dat vrolijke gelach.
Hoofddoekje besloot verder te lopen omdat ze voor het avondeten thuis moest zijn. Ze volgde de gemarkeerde wegen op het plattegrondje van haar moeder. Zij had de blauwdrukken van het Grote Wouterbos via kennissen uit de nabijgelegen Hofstad weten te bemachtigen.

Hoofddoekje wandelde een smal bruggetje over. Daar trok een felgekleurd huis aan de rechterkant plots haar aandacht. Ze bekeek het huis vanaf de brug. In het riviertje ernaast lag een boot met een rond houten roer voor anker. De boot was veel te groot om uit te varen. 'Wat een megalomaan bootje', dacht Hoofddoekje. 'Hoe kan die nu uitvaren? Hij past zelfs niet eens onder deze brug door'.
Ze kon de verleiding echter niet weerstaan om het huis van dichtbij te bekijken. Van de buitenkant leek het veelbelovend. Het dak was bekleed met felle oranje snoepjes, en de schoorsteen had de vorm van een grote zuurstok in de kleuren rood, wit en blauw!
Voorzichtig begaf ze zich naar de voordeur. Moeder had haar op het hart gedrukt om nóóit van de gemarkeerde wegen af te wijken, maar ze was te nieuwsgierig naar dit snoephuisje.

Hoofddoekje klopte op de deur. Nog eens, maar er leek niets te gebeuren. Toch moest ze stiekem een kijkje nemen. Heel eventjes maar, dat kon toch geen kwaad? Ze zette haar klamme hand voorzichtig om de deurknop en draaide.... Juist op dat moment zwiepte er in het dak een luik open. Een ijzeren vrouw wurmde met kabaal haar hoofd tussen twee gevangenisspijlen naar buiten. Haar donkere ogen keken argwanend.
"Knibbel knabbel knuisje, welke vreemdeling kraakt er mijn huisje?"
Hoofddoekje schrok zich een hoedje.

"S-sorry mevrouw", verontschuldigde Hoofddoekje zich. "Ik wilde enkel eventjes binnen in uw mooie huisje kijken, het belooft zoveel moois en zoveel goeds"
De ijzeren vrouw glimlachte vilein.
"Ik ben er trots op", riep ze van boven, "heel erg trots".
"Dat zal best", antwoordde Hoofddoekje.
"En jij meisje, ben jij er ook trots op?"
"Het is niet van mij, dus ik weet niet of ik er trots op moet zijn, mevrouw".
Het mens wrong haar forse postuur nu volledig door de spijlen heen. Haar ijzeren lichaam maakte een industrieel geluid wanneer het de tralies raakte. Ze nam plaats in een zetel op het dak.

"Ik zou je best een stoel willen aanbieden meisje, maar ik heb maar één zetel hier". 
De ijzeren vrouw zat als een cipier voor het luikje met de gevangenisspijlen.
"Zeg me eens, waar in het Grote Wouterbos woon jij precies" vroeg de vrouw terwijl ze haar armen zelfverzekerd over elkaar sloeg.
"Ik woon met mijn familie aan de rand, mevrouw", antwoordde Hoofddoekje.
"Wel donders! Ga dan maar snel terug naar waar je vandaan komt". De vrouw stond resoluut op van haar zetel en zwaaide dreigend met haar vinger. "In het Grote Wouterbos is geen plaats voor vreemdelingen, het is hier al druk genoeg". Hoofddoekje keek om zich heen. Ze zag helemaal niemand. Toch nam ze afstand van het huisje.
De vrouw wurmde zich terug door de spijlen en sloot haastig de luiken van het huis. Hoofddoekje liep beduusd verder.

Ze was nog geen seconde bij de ijzeren vrouw vandaan toen er een gestalte op een wit paard kwam aanrijden. Het was een vrij jonge man. Met een gracieuze beweging stapte hij van het beest af. De man had een brede glimlach en kneep wat met zijn ogen.
"Wel wel wel", sprak hij met een zuidelijk accent, "dat zijn dan veertien goudstenen alstublieft".
"Pardon?", stamelde Hoofddoekje.
"Veertien goudstenen jongedame. Jawel hoor. Ik heb het uitgerekend. U heeft precies twee kilometer gebruik gemaakt van de wegen in het Grote Wouterbos". 
"Maar, ik-ik heb helemaal geen goudstenen", stotterde Hoofddoekje.
"Daar moet je rekening mee houden als je de wegen hier gebruikt, jongedame. Wij noemen het niet voor niets rekening-rijden. Wat heeft u in dat afgedekte mandje zitten?", vervolgde de man nieuwsgierig. Hij griste de roodwit geblokte theedoek ervan af. "Aha, kijk eens aan, Haagse Hopjes". Zijn ogen twinkelden. "Ik neem je al je Haagse Hopjes af", dat dekt de schade precies. Hij stopte de hopjes in een grote juten zak waarin Hoofddoekje ook een flinke hoeveelheid Brusselse Manneken Pis -drop zag zitten. De man besteeg zijn paard en verdween met een ambitieuze galop het bos in.

Het begon inmiddels te schemeren in het reeds duistere bos. Alle figuren hadden haar enorm opgehouden. Met de plattegrond in haar handen rende ze over de donkere paden van het bos. Af en toe struikelde ze van opwinding over een uitstekende boomwortel.

Onderweg passeerde ze een griezelige man. Hij had een gehavend gebit. Hij zat op zijn hurken en brulde tegen een paddenstoel: "Heb uw naasten lief, kaboutertjes. Heb mij lief als uw naaste. Ad-oreer mij!". De griezel keek bijzonder geïnteresseerd op toen Hoofddoekje langs rende, waarop ze subiet versnelde.

Halverwege het bos naderde Hoofddoekje een rood stoplicht. Ze besloot te wachten. Naast het rode stoplicht zag ze omvangrijke tomatenplantage. Er stond een vrouw overijverig in te werken, terwijl een oudere, bijna kale man, vanaf zijn klapstoeltje meewarig toekeek. Aan zijn voeten lag een oude os te slapen. Ze groette hen beiden.
Toen het licht op groen sprong spurtte ze naar links. Volgens haar plattegrond was ze nu bijna op het erf van oma Femke, daar waar de verblijfsvergunningen verlengd konden worden. En ja, in de verte zag ze het erf al liggen.

Ze wandelde over een van de vele geasfalteerde wegen naar het huis Hoofddoekje verbaasde zich over de hoeveelheid asfalt. Bij de voordeur stuitte ze op een briefje. "Deurbel defect", stond erop. "Gaarne driemaal HOERA roepen".
Hoofddoekje vond het wat vreemd maar schraapte uiteindelijk haar keel.
"HOERA, HOERA HOERA!" jubelde ze.

Het was een moment stil, maar niet voor lang.
"WIE IS DAT MARK?". Hoofddoekje hoorde een oude vrouwenstem krijsen. "MARK! WIE IS DAT!"
"Kalmeer moeder, ik ga wel even kijken".
"MARKJE, ZEG ME NU TOCH, WIE IS DAT?, tierde de vrouw opnieuw. "TOCH NIET WEER DIE LELIJKE IJZEREN HEKS, HÈ?".
Hoofddoekje giechelde.
Een keurige jongeman met een bril verscheen in de deuropening.
"Kan ik u helpen jongedame?".
"MARK JE ZEGT ME NU WIE HET IS!"
"Het is al goed moeder" riep de man getergd naar boven, "ga maar weer slapen".
Hij zuchtte vermoeid.
"Sorry dat ik u stoor", fluisterde Hoofddoekje, "maar ik kom voor onze verblijfsvergunningen".
De man keek een moment betrapt om zich heen.
"Ehm. Ik zou u wel willen helpen", fluisterde hij terug, "maar de anderen willen dat niet".
"Welke anderen?"
"Ik kan daar niets over zeggen. Het spijt me, het is beter als u nu meteen vertrekt".
"Maar, ben ik hier niet bij oma Femke dan?", vroeg Hoofddoekje verontwaardigd.
"Nee meisje, je bent verkeerd", zei de man. "Femke woont hier pal tegenover. Je kunt er naar binnen kijken vanuit mijn slaapkamerraam. Niet dat ik dat doe..."
De man sloot snel de deur terwijl Hoofddoekje zijn oude moeder weer hoorde brullen.

Hoofddoekje spoedde zich naar de overkant. Onderweg passeerde ze de tomatenplantage weer. De man met de slapende os, die nog steeds in zijn klapstoel naast het tomatenveld zat, sliep inmddels ook, terwijl de ijverige vrouw met een rood hoofd nu zelfs de onrijpe tomaten plukte.

De avond viel nu bijna. De schemering had het Wouterbos nog grauwer gekleurd. En Hoofddoekje had nog steeds geen verblijfsvergunningen. In het zacht doorgebroken maanlicht zag ze het erf van oma Femke liggen. Er was geen seconde te verliezen.

Het erf was versierd met prachtige planten en bloemen. Het werd omzoomd door een gigantisch rode rozenperk. Aan het rozenperk grensde een werkplaats. Tijdens het voorbij lopen zag Hoofddoekje dat er een vrouw in aan de arbeid was. Ze keek chagrijnig. De vrouw probeerde van alles aan elkaar te nagelen met een hamer, maar ze sloeg telkens op haar vingers. Aan haar voeten lag een kale hond die op Samson leek en telkens beteuterd 'nee' schudde als de vrouw op haar vingers sloeg. Hoofddoekje groette de vrouw, aaide de hond begripvol over zijn pasgeschoren bol, en betrad daarna het pad dat naar het huis van Femke leidde. In de voortuin passeerde ze een roestende Mercedes stationwagen. Er groeide gras vanonder de motorkap vandaan. Achterin de tuin speelde een vrouw tikkertje met wat kippen en konijntjes. Ze was geen partij voor de dieren. "Het ziet er hier allemaal zo vreedzaam uit", mijmerde Hoofddoekje hardop.

Ook bij deze voordeur trof Hoofddoekje een bordje aan. 'Geen deurbel i.v.m. energiebesparing'.
Ze klopte voorzichtig op het raampje in de deur.
Een schaduw naderde. Daarna ging de voordeur op een kier. De neus van een knalrode schoen stak over de drempel.
"Wie is daar?". Hoofddoekje meende even dat ze de stem herkende.
"Ehm. Hallo oma Femke, ik ben Hoofddoekje, ik kom voor onze verblijfsvergunningen".
"Kijk eens aan, kijk aan", sprak de stem "komen jullie toch binnen".
De deur ging langzaam open. Tegenover Hoofddoekje stond een uit de kluiten gewassen vrouwmens. 
"Wees welkom, ik ben oma Femke", sprak de forse vrouw.
Hoofddoekje had zich haar veel anders voorgesteld. Desondanks schudde ze haar stevige hand en liet ze zich naar de woonkamer leiden.
"Zeg oma Femke", vroeg Hoofddoekje onderweg, "waarom heeft u van die grote, rode schoenen?".
"Dat is voor een eventuele watersnood, mijn kind, de poolkappen smelten gezwind".
Hoofddoekje bekeek de vrouw nog wat beter. 
"Waarom heeft u geen krullen? Moeder vertelde me dat u zulke mooie krullen had".
"Ik heb mijn krultang weggedaan, alles om energie te besparen, nietwaar mijn kind?".
Hoofddoekje knikte.
"Maar oma Femke, waarom heeft u zo'n rode neus?".
"Och lieverd, ik heb tot diep in de nacht rode brandewijn gedronken met mijn vriend Hero". 
Rode brandewijn. Hoofddoekje begon argwaan te krijgen. De forse vrouw deed ondertussen alsof ze nieste en haalde vlug de fopneus van haar gezicht.
Hoofddoekje merkte plotseling dat er verf uit de haren van de vrouw sijpelde. En toen zag ze het!

"U bent die clown van vanmiddag!".
Hoofddoekje verroerde zich niet terwijl de clown zijn masker in een hoek wierp.
Ze stond oog in oog met de Wilde Boze Geert.
"Mwhoehaha!", brulde hij, "je kunt die verblijfsvergunningen vergeten! Ik heb ze opgepeuzeld, met oma Femke eraan vast als een lekkere salade verte. En nu ben jij aan de beurt, Kopvodje!".
Hoofddoekje stond aan de grond genageld. Haar laatste seconden waren geteld. Maar juist op dat moment klonk er gelach bij de voordeur. Het was eenzelfde mysterieus hoongelach als die middag uit het spechthol was gekomen. De Wilde Boze Geert keek verschrikt op.

Met een verwoestend geweld werd de voordeur ingetrapt. Een klein kereltje met blozende wangen en een groen jagershoedje op zijn hoofd, posteerde zich in de deuropening. Onder zijn arm droeg hij een flinke stapel rapporten.
De Wilde Boze Geert deinsde achteruit. Achter de jager zag Hoofddoekje opeens haar trouwe ezel staan. "Balkje!", riep ze luid en gelukkig, "Balkje, ik dacht dat je weg was". 
"Ik heb je toch al die tijd gezegd dat ik nooit weg zou gaan", sprak Balkje verheugd. "Mij krijg je niet zo snel weg".
De jager stak Hoofddoekje drie verblijfsvergunningen in haar handen, terwijl hij zijn grote ogen op de Wilde Boze Geert richtte. "Ga maar snel naar huis meisje", riep de jager, "ik heb nog wat appeltjes te schillen met meneer hier".
Hoofddoekje gehoorzaamde. Ze sprong op de rug van Balkje. Samen vertrokken ze terug naar de rand van het Grote Wouterbos. Daar leefde Hoofddoekje niet zo lang (griepvirus), maar wel heel erg gelukkig.

En de Wilde Boze Geert?
Wat de jager met hem gedaan heeft, en of hij voorgoed zal zijn verdreven uit het Grote Wouterbos? Dat leest u na 9 juni!

 
In de stad Amsterdam
een ochtend en middag in de stad

Er is koffie in de stad
Trams wekken elkander
Op stoepen voor hotels kenteren verse toeristen plattegronden ondersteboven
Kantoren stromen langzaam vol met bruiloften en begrafenissen

In het Vondelpark worden vluchtende meiden achterna gezeten door dikke bipsen
Hippe bakfietsen uit het zuiden met fleurige ladingen kroost voor 't fijn vuil
Een frêle signorina, vastgebonden aan haar viooltas 
dirigeert zichzelf richting het conservatorium 
Ze steekt haar strijkstok uit

In de vroege middag ontwaakt het surplus
Een krantje, vers geperste jus
Schrijvers op bankjes zien een vrouw fotograferen
Riet, vijver, moedereend met jongen
Haar familieportret: eerste waterpret, maart 2010

De school uit in de noen
In nerven van speeltuintegels ligt mandarijnenschil
Bewijs van lopen op de maan, het onthaal buiten de poort 
Eerst mama een zoen
Kinderen, sirenes loeien op boegen van fietsen
'Op drinken hoef je niet te kauwen, hè mama?'
Vertederd trotseert moeder het woensdagmiddag-verkeer
Ta-tuu

In de namiddag sleuren de trams
vleugen geuren van vervlogen uren voort
De stad fietst de dag naar de maan, regelrecht de avond in
Taxichauffeurs loeren als hoeren die bereden willen worden
Daklozen plunderen gemeentelijke grabbeltonnen 
Wie wint de dagprijs?

De nacht behoort toe aan de gemachtigden

 
De Lotgevallen van Loch Ness: het dagboek van George Priestley
vertaald en bewerkt door Wim Vaasbeek

monday 11-03-1973

(..)

Ik ontmoette de twee beroepswaaghalzen in een luxe brasserie op het centraal station van London. Gisteravond hadden ze me al telefonisch te woord gestaan. Zij zouden Het Meer wel eventjes gaan overzwemmen. 'Met speels gemak', beweerden de mannen, alsof ik hen had gevraagd om een bak piepers te jassen. De twee stonden bekend om het aangaan van 's werelds meest groteske uitdagingen. Zo hadden ze de piramiden van Gizeh omgekeerd, alle Chinezen op aarde geteld, onlangs de Mona Lisa verhangen, en de Mont Blanc volledig sneeuwvrij gemaakt. Het was teveel om op te noemen, overtuigden de gevierde durfals me toen ik hen tijdens onze high tea vroeg naar hun meesterschap.

Onze treinreis vanuit London naar Glasgow nam vier uur in beslag, en hemel, dat was een lange zit. De beroepswaaghalzen hadden tijdens de trip echter verre van stilgezeten, want terwijl ik met onverstoorbare kalmte een cryptogrammetje oploste, verbonden zij listig alle valiezen uit de bagagerekken met visdraad aan elkaar. Ik schouwde deze vertoning oogluikend aan, en ik moet bekennen dat ik genoot van hun professionaliteit. Hun poets bleef al die tijd onopgemerkt, waardoor deze bij aankomst ontaarde in een uiterst vermakelijke klucht. De twee bleken van alle markten thuis te zijn.
Op het stationsplein van Glasgow namen we de voorste van een rij taxiwagens. De chauffeur verkrampte toen ik hem op onze eindbestemming wees. Een dollemansrit, dwars door de mistige, kille hooglanden van Schotland, bracht ons vervolgens naar Loch Ness; naar haar meest onheilspellende oever, gesitueerd aan de zuidkant van het grote dal (The Great Glen). Toen de wagen eindelijk stilhield waarschuwde de chauffeur ons dat het monster hier recentelijk twee badende jongens had gegrepen. Schooljongens uit Lairgmore. Een week later waren twee zwembroekjes komen bovendrijven. Het totaal aantal slachtoffers schatte hij op negenendertig; maar dat kon 'een mannetje meer of minder zijn', zo wist hij te vertellen. Daarna scheurde hij met gierende banden weg van de plek die hij onderweg met een zangerige spookstem als het "bassin van de duivel" had bestempeld.

Terwijl de twee waaghalzen de watertemperatuur blootsvoets aftastten nam ik het gigantische meer in me op. Daar stond ik dan, finally. Het roemruchte Meer van Loch Ness. Het lag aan mijn voeten. Negenendertig kilometer lang, en op sommige plaatsen ruim 200 meter diep: een prima plaats om je te verstoppen, bedacht ik me. De zenuwen gierden inmiddels door mijn lijf. Ik gleed voorzichtig de oever naar beneden en voegde me bij de twee die zich laconiek keuvelend van hun kleedsel ontdeden. Ik hoorde hen kletsen over een stripboek dat ze beiden hadden gelezen. Het leek ze werkelijk niet te vervoeren dat ze aan de voet van het beruchte dodenmeer stonden.
Er waaide vandaag volgens de onversaagde durfals een typisch Schotse wind; een strijdbare en snijdende bries. 'Desalniettemin een fraai zwemweertje', grapten ze terwijl ze het koude water trotseerden. De mannen hadden voorgenomen om het meer naakt over te zwemmen. Poedelnaakt én heen-en-weer, want ze vonden een retourtje mooier staan in de annalen. Dat kon ik alleen maar beamen. Net voordat de helden het zoetwater indoken, salueerden ze me vastberaden, als koene matrozen die standvastig een laatste groet aan de kade brengen. Hun gespierde avonturierslijven schoten op kniehoogte als onvermurwbare golfbrekers uit het meer. Het kostte me moeite om niet naar hun geslachten te blijven staren, want ook dat waren meeslepende lotgevallen.

Terwijl de mannen vurig borstcrawlend uit het zicht verdwenen, vond ik een rots om op te zitten. Ik staarde naar hun achtergelaten kleding. Ze hadden hun broekspijpen in hun schoenen gestoken en hun jas in de bovenbroek. Zo leek het alsof er twee uitgeholde personen op de oeverstenen lagen te slapen. 'Een oude truc' meenden zij, toen ik ze had gevraagd naar het waarom, 'hierdoor kan de wind kan er onmogelijk mee aan de haal gaan, en ook de vossen blijven ervan af'. Dat bleek wederom een vernuftige vondst. Ik was de afgelopen uren meermalen getuige geweest van soortgelijke, intrigerende wijsheden. Tijdens de taxirit hadden zij, bijvoorbeeld, grondig hun tanden gepoetst. De twee wilden niets aan het toeval overlaten mocht het deze middag verkeerd gaan: Petrus kon allesbehalve met een bedorven adem tegemoet worden getreden, zo verzekerden ze mij nadat ze hun monden uit het autoraam hadden leeggespuwd. Hun professionaliteit was even onmiskenbaar als hun wonderbaarlijke cv. Ik was er heilig van overtuigd dat ze hemel en aarde konden bewegen als iemand het ze vragen zou. Maar hopelijk blijft die vraag voor eeuwig uit; het omgaan met deze twee is als spelen met vuur.

(..)

Inmiddels is het twaalf uur later. Ik schrik net wakker op een rots. Ik moet, na de voorgaande notities in mijn dagboek, pardoes in slaap zijn gevallen. Het begint te schemeren. Er is geen spoor van de twee. Voor me zie ik hun kleding nog altijd op de stenen liggen. Ik heb het gevoel dat er iets niet in orde is. Ik ga ze achterna. Het moet. Misschien zijn ze in de problemen geraakt. Het water zal ijskoud zijn, en een getraind zwemmer ben ik niet. Mijn hemel, ik ben er niet gerust op.



NOOT VAN DE AUTEUR:
Van de twee waaghalzen, evenals van deze dagboekschrijver George Priestley, is nooit meer iets vernomen. Een uitgebreid sporenonderzoek door Scotland Yard heeft, op het vinden van deze bladzijden uit het dagboek na, geen teken van leven opgeleverd. Zoals ieder verhaal omtrent het Monster van Loch als onoplosbaar de overlevering is ingegaan.

uit:
De lotgevallen van Loch Ness
W.J.F. Vaasbeek
Met liefde opgedragen aan mijn Johanna
Amsterdam, 2010

zie: Uitgeverij De Passieve Wesp. ISBN 1762 34578 2345


 

 
Het muisje in de fluitketel
in de serie waargebeurde verhalen

We vonden het opvallend dat de fluitketel sinds een paar dagen zo'n vreemd geluid maakte; een schreiend en zeurderig gepiep. Ook merkten we dat het waterkoken vlugger leek te gaan dan normaal. De ketel liet na slechts een krap minuutje al van zich horen.
Bij het uitschenken bleek het theewater nog niet eens lauwwarm te zijn. Het begon ons te dagen dat het water haar kookpunt nimmer had bereikt: de ketel moest ons listig hebben voorgelogen. 
Nu was het ons bekend dat fluitketels geen listen kunnen verzinnen. Het zou van de wereld een oncontroleerbaar geheel maken wanneer objecten met de waarheid aan de haal zouden gaan. 'Stel je voor dat stoplichten opeens besluiten om poetsen te gaan bakken', zeiden wij tegen elkaar.
Neen, er moest iets anders aan de hand zijn. Iets vreemds. Iets wonderlijks.

Na de zoveelste kop lauwe thee - die ook steeds muffer smaakte - was de maat vol - we zijn immers grote liefhebbers van een goede kop warme thee.
We slopen onderzoekend de keuken in, en bogen ons over het fornuis. De theepot werd grondig onderzocht, als een patiënt met vage klachten. We vonden niets. Eventjes dachten we voor een onoplosbaar raadsel te staan, maar de waarheid liet niet lang op zich wachten, sterker nog: de waarheid wenkte ons. Want terwijl wij daar gebukt voor ons gasfornuis stonden, verscheen er een schriel voorpootje uit de schenktuit van de fluitketel. Eerst een nageltje, daarna een piepklein grijs vingertje. We stonden perplex. Het pootje zwaaide ongeduldig heen en weer, zoals drenkelingen doen wanneer ze te water zijn geraakt.
We begrepen onmiddellijk wat er gaande was: een nieuwsgierig muisje moest pardoes in de pot zijn gekukeld, en het ventje kon er op eigen kracht niet meer uit klauteren. De arme drommel! Er was geen seconde te verliezen. Snel gingen we over tot actie.
'Houd moed!', brulden we de tuit in. Dat veroorzaakte een hels kabaal. Ons geluid echode door de ketel. We zagen het muisje met twee vingers in zijn oren watertrappelen en enigszins verontwaardigd omhoog kijken. We excuseerden ons voor ons gebrul. 'Sorry muisje', excuseerden we.

Zijn familie moest zich ongetwijfeld doodongerust maken. Hij moest dan ook snel op het droge worden getrokken. We namen een luciferdoosje en een tube secondenlijm uit de keukenlade. Hiermee vervaardigden we haastig een solide laddertje. Dat lieten we langzaam in de ketel zakken.
Niet lang daarna waren we de gelukkige getuigen van hoe een doorweekt muisje uit onze fluitketel klauterde. Bovenaan de ladder schudde hij zich als een hondje uit en nieste -ie tweemaal flink. 
Het muisje knikte dankbaar, en schoot daarna weg in de spelonken van onze keuken. Het had zonder twijfel een mooi verhaal voor thuis. Net als wij.


beeld: meike van den akker