September 1987. Een najaarsavond in het zuidoosten van Nederland. Tijdens het uitknijpen van een steenpuist op mijn rechterbil focuste ik me op een zweetdruppel die langzaam over de slaap van mijn vader gleed. Ik zag hoe hij al zijn krachten aanspande. Zijn aderen leken boomwortels. Op het hoogtepunt van het persen gilde ik het uit. Ik gilde zelfs zo hard dat de buren de volgende ochtend met een paar vragen op de stoep stonden. Maar nadat vader me bij de voordeur ontbood en mijn broekje ongegeneerd als bewijsmateriaal had laten zakken, was het misverstand wat betreft kindermishandeling uit de wereld. Jaren later houdt dit voorval me echter opnieuw bezig.
Waarom gillen mensen eigenlijk? En wat is het?
Men gilt niet zo vaak. Er zijn maar een paar situaties waarin het karakteristieke gillen gebruikelijk is. Zo is daar het spookhuis, de horrorfilm of het radeloze meisje op het balkon van een brandend flatgebouw. Vervolgens heb je de potloodventer, de ongenode muis in huis, de achtbaan, en tenslotte de steenpuist: door mijn vader uitgeknepen. Zou hij met eenzelfde kracht op de flanken van de Vesuvius hebben gedrukt dan konden de evacuaties beginnen.
Met de vraag of gillen een oerkreet is of aanstellerige dramatiek als het gevolg van tweeduizend jaar theater en ander volksvermaak, bezocht ik een expert op het gebied. In België ontmoette ik een zekere Gilbèrt de la Touret. Tijdens het traceren van zijn verblijfplaats werd me duidelijk dat hij door zijn dorpsgenoten kortweg 'Gilles' wordt genoemd. Zij wezen me de weg naar zijn huis.
De oprijlaan was zo lang als de wandeling uit het dorp. Toen ik eindelijk bij de voordeur stond, stuitte ik op een metalen plaat waarin met feeërieke letters "driemaal gillen" was gegraveerd. Op de deurmat stond een identieke tekst, waardoor zesmaal gillen hier niet ongepast zou zijn. Ik bevond me hoe dan ook op de juiste plek, dat kon niet anders
Tegen beter weten in speurde ik naar een deurbel. Nee, nergens te zien. Bedachtzaam kneedde ik mijn kin. Er werd hier dus van me verwacht om driemaal te gillen. Na een kleine aarzeling schraapte ik mijn keel. Het moest dan maar. Ik haalde diep adem, sloot mijn ogen, en concentreerde me op de steenpuist van weleer.
Drie afgestompte klanken stootten uit mijn keel. Het geluid leek geenszins op gillen. Ik probeerde het nogmaals, maar dan zonder diep adem te halen. Kijk, dat klonk al veel beter. Ik leerde hier dat voor een goede gil absoluut géén sloot adem dient te worden gehaald. Gillen is een uitstotende kracht.
'Ik kom eraan!'.
Een spijkerharde gil knalde dwars door het hout van de voordeur naar buiten. Ik had nooit zoiets gehoord. Het was een onovertroffen gil.
Ik legde mijn oor voorzichtig tegen de voordeur van de villa te luisteren. Binnen hoorde ik voetstappen. Er rende iemand van een trap.
'Moment nog’, gilde dezelfde stem, ‘ik is zijn sleutelbos kwijt'. Het was wederom een oorverdovende gil. Ik wreef in mijn oor en nam afstand van de deur om een gehoorbeschadiging te voorkomen.
Zo had ik wat tijd om de omgeving in me op te nemen. Op een paaltje naast de oprit stak een oud plakkaat tussen een rododendron uit. Er stond een Romeins wapenschild op afgebeeld met twee slapende schildpadden aan weerszijden van het embleem. Onder de dieren stond de tekst "Groot erelid van het Gilde der Gillers, 1843". Het bordje bekrachtigde nogmaals dat ik aan het goede adres was om meer over het gillen te weten te komen.
'Loopt u alstublieft even om', klonk er plotseling. Weer die stem. Maar ditmaal kwam het gegil vanachter de villa vandaan. Het geluid had zich een vlijmscherpe bocht om het gebouw gebaand. Een vernuftige gil; een gil met effect.
Ik deed wat me werd opgedragen.
Onderweg gleed ik met mijn vingertoppen over de bladeren van een beukenhaag. Mijn voetstappen knarsten in het grind dat rondom om de villa lag. Het pand bleek veel groter dan ik vanaf de oprit had ingeschat. Een oud klooster, of een herenhuis, zoiets moest het ooit zijn geweest. Ondertussen rondde ik de hoek van de villa. Ik was bijzonder nieuwsgierig naar wie ik aan zou treffen.
In de verte stond een boomlange, dunne man. Vanwege de lengte kwam hij klunzig op me over. Ook zijn kleine oren vielen me op. Hij had oren als macaronischelpjes. Hoe dan ook, deze figuur moest de gillende stem van zo-even zijn, dat kon niet anders.
'Welkom!’, gilde de man me toe. Inderdaad, hij was het.
’Blijft u daar maar even staan. Ik spreek gaarne over een lange afstand'.
'Prima. Wat u wilt', gilde ik terug - me bewust van de wonderlijke situatie waarin ik verzeild was geraakt. Het gillend communiceren was volslagen nieuw voor me.
'Mag ik u een paar vragen stellen?' brulde ik. De kracht van het geluid verstoorde mijn keel. Ik hoestte een paar maal flink.
'Wat zegt u mij daar, mijnheer?', antwoordde de lange man terwijl hij zijn hoofd van onbegrip schudde.
'Of ik u een páár vráágen mag stellen' schreeuwde ik nogmaals, waarbij ik met mijn handen een provisorische toeter maakte.
'U zult nochtans harder moeten praten', gilde de Vlaming, 'anders versta ik u niet. En haal die handen rondom uw mond weg, u maakt uzelf volstrekt belachelijk!'.
Zo stonden we op het brede kiezelpad als krankzinnigen over en weer te gillen. Ik probeerde de man uit te leggen wat de eer van mijn bezoek was. Maar iedere poging strandde: het kostte de slungelige man met de macaronioren teveel moeite om me te verstaan. Dat was niet vreemd: het goed articulerend gillen bleek een hels karwei. Ik was ook absoluut geen volleerd giller. Daarnaast kreeg ik steeds meer last van mijn droge keel. Dit in tegenspraak met mijn opponent aan de overzijde bij wie de kunst van het gillen er met de paplepel leek te zijn ingegoten. Ik kon hem dan ook prima verstaan.
'Wacht eens even, heeft u een moment?', gilde hij vragend.
De man rende via een zijdeur de villa binnen. Een krappe minuut later keerde hij terug met een knalrode megafoon in zijn handen. Hij gooide de toeter met een slingerworp naar me toe.
‘Hier!’
Het apparaat viel voor de neus van mijn rechterschoen in het grind. Een briljant gemikte worp.
'Voor noodgevallen hebben wij altijd een voorraad spreektrompetten in huis', gilde hij.
Ik pakte het apparaat op uit het kiezelgrind. Er stond "spreektrompet" op; Made in Belgium. Ik genoot een moment van het zeldzame woord en besnuffelde het apparaat. In het handvat zat een knop waarmee het moest worden aangezet. Ik waagde een poging.
'HALLO - HALLO!'.
Een zwerm spreeuwen vloog op vanuit een rij populieren naast de villa. De Vlaming stak zijn beide duimen tevreden in de lucht. Hij gilde dat het nu moest gaan lukken, en hij deed zelfs nog een aantal stappen achteruit. 'Zo kunnen wij u nog beter verstaan', gilde hij.
'Bent u Gilbèrt de la Touret?' sprak ik onwennig door de spreektrompet. Mijn vraag werd gevolgd door een felle sirene. Beschaamd herstelde ik de orde door het per ongeluk ingedrukte noodsein uit te schakelen.
'Gilbèrt?', gilde de man vragend. 'Wacht eens, u komt voor mijn broeder!'.
Hij spurtte wederom de zijdeur in. Vanuit de villa klonk een afgrijselijk over-en-weer gegil. Zo moest het ongeveer geklonken hebben toen vader mijn steenpuist uitdrukte. De buren zouden hier echter een moordlustig schouwspel vermoeden in plaats van kindermisbruik, en ogenblikkelijk de noodhulpdiensten alarmeren. Ik begreep nu ook waarom de broers zo afgelegen en ver uit het dorp woonden.
Niet veel later verschenen de twee broers samen op het grindtoneel. Ze bleken even lang te zijn, en ze hadden identieke oren als macaronischelpjes.
'Hierzo!’, gilde de man ‘dit is onze Gilles waarvoor u op visite komt'.
Hij wees over zijn schouder naar zijn broer, die een meter of vijf achter hem was gaan staan.
Gilbèrt gilde bevestigend terug. ‘Juist. Wat mijn broer zegt!', gilde hij. ‘Dit is mij. Met wie heb ik de eer?’
Ik probeerde de situatie te doorgronden. U zult begrijpen dat het hier geen alledaagse kwestie betrof. Maar hoe dan ook, een ding was volslagen evident: op deze plaats zou ik het geheim achter de oorsprong van het gillen te weten komen. Ik bevond me op de bakermat van de gil. Een grindpad, waar drie mensen op geruime afstand van elkander communiceerden. Drie mensen, waarvan een met megafoon.
Eén met megafoon...
'Moment!', gilde ik.
Ik slingerde de spreektrompet terug richting de voorste broer, en gilde er bevlogen op los. |
Er was eens een jong meisje dat Hoofddoekje heette. Ze werd zo genoemd omdat ze altijd een hoofddoekje droeg. De rode hijaab had ze van haar zieke vader gekregen. "Hij zal je altijd en overal beschermen" vertrouwde hij haar toe. Een paar dagen later blies vader zijn laatste adem uit. Inmiddels woonde Hoofddoekje met haar moeder en broertje in een rijtjeshuis aan de rand van het Grote Wouterbos. De familie leefde er een onzeker bestaan.
Op een dag stuurde moeder Hoofddoekje op pad voor een opdracht: de verblijfsvergunningen moesten worden verlengd. Dit was een gevaarlijke onderneming. Hoofddoekje moest hiervoor in haar eentje het Grote Wouterbos doorkruisen. Haar hart sloeg steevast over wanneer ze de naam van dit bos hoorde. Ze had namelijk een grote vrees voor de Wilde Boze Geert, die zich ergens in het woud schuilhield. Maar moeder vond haar dochter nu oud genoeg om alleen op pad te gaan. "Je spreekt de taal goed", zei ze, "en je broertje wil het niet doen".
Moeders wil geschiedde. De volgende ochtend vertrok Hoofddoekje met een mandje vol traditionele lekkernijen, in de richting van het bos. Ze droeg boterbabbelaars, Haagse Hopjes en zoethout met zich mee. Er lag ook een fles rode brandewijn onderin. Moeder beweerde dat ze de aloude zoetigheden en de drank goed kon gebruiken om figuren in het Wouterbos mee om te kopen. Toch vertrouwde Hoofddoekje liever op de rode hijaab van haar vader.
Tot aan de rand van het bos werd ze gevolgd door Balkje, haar trouwe ezel. Zijn poten waren ingezwachteld omdat hij zich vier keer aan eenzelfde steen had gestoten. Balkje wilde haar vergezellen, maar Hoofddoekje legde hem uit dat ze ditmaal alleen moest gaan.
"Maar, ik moet je beschermen tegen de Wilde Boze Geert, toch!?", had Balkje geroepen, waarop Hoofddoekje de inhoud van haar mandje toonde.
"En ik denk niet dat jij mij beschermen kunt, Balkje", vervolgde ze, "je bent immers maar een ezel".
Hoofddoekje zette de oordopjes van haar IPod stevig onder de hijaab vast, en huppelde het bos in. Ze luisterde naar een vrolijk hoorspel: Achmed Jodenkus Smak, een verzoeningsparabel gezongen door Herman van Veen. Ze vond het fijne reismuziek.
Geleidelijk loste het daglicht in haar kielzog op. Zo wandelde Hoofddoekje over een donker pad het Grote Wouterbos in. Maar na een paar minuten haalde ze de dopjes al uit haar oren. Het duister werd haar veel te griezelig. Ze wilde op haar hoede te zijn, en dat was niet ten onrechte. Vanuit de verte klonken schimmige geluiden. Onheilspellend wolvengejank, politiesirenes. Ze was een vreemde wereld binnengestapt waar de angst leek te regeren. Er drong nauwelijks daglicht door. En dan was daar ook nog de dreiging van die Wilde Boze Geert die zich sluw door de bomen zou bewegen. Hoofddoekje had niet heel veel over hem gehoord. Ze wist dat -ie uit Venlo kwam, en dat hij absoluut niet van hoofddoekjes hield. Denkend aan dat laatste schoten er ijskoude rillingen door haar lijf.

Om de spanning te bezweren verzon ze wat liedjes. Maar net toen ze 'Ga naar oma Femke verblijfsvergunninkje halen, in het bos in het bos' zong, doemde uit het duister een lange clown op. Hij stond midden op het pad. Hoofddoekje voelde haar hartje tekeer gaan. De clown droeg een woelige haardos op zijn hoofd. Het haar was rood geverfd, dat zag ze onmiddellijk. Langzaam stapte hij dichterbij.
"Wel wel, waar ga jij hene, zo alleen?", vroeg de clown toen hij tegenover haar stond.
"Naar oma Femke, meneer".
"Zo zo, naar oma Femke", herhaalde de clown verbitterd, "en wat gaan we daar doen?".
"De verblijfsvergunningen verlengen", jubelde Hoofddoekje voorzichtig, "voor mijn hele familie!".
De clown begon nerveus aan zijn kruin te krabben. Het leek of zijn hoofdhuid jeukte. Terwijl hij krabde zag Hoofddoekje een stoffen labeltje dat op de mouw van zijn clownspak was gespeld. "Carnavalswinkel De Rode Neus - Venlo"stond erop. Ze schrok.
"K-Komt u uit Venlo?", stamelde Hoofddoekje.
"Je bent knettergek!", antwoordde de clown verontwaardigd, "hoe komde gij daar nu bij?"
"Nou, op uw mouw staat...".
De clown bekeek zijn kostuum. Daarna lachte hij. Hij legde Hoofddoekje uit dat het al een oud pak was, maar dat de mensen het nog steeds prima vonden. "De mensen houden van hoe het ooit was", wist de clown.
"Zeg eens meisje", vervolgde hij terwijl hij in zijn handen wreef", vind je het niet gevaarlijk om zo alleen door het Grote Wouterbos te lopen?".
Hoofddoekje schudde haar hoofd. "Nee hoor".
Ze verzweeg de kracht van haar hijaab en liet hem de inhoud van haar mandje vol zoetigheden zien. "Hiermee zal ik mij redden. Wilt u misschien een stengel zoethout?"
De clown nam het zoethout gretig aan. Hij krabde ermee op zijn hoofd en peuterde er een moment mee in zijn neus. En toen, zonder te vragen, griste hij de fles rode brandewijn onder uit het mandje. Hij verdween ermee in een uiterst rechtse richting. 'Dat was een merkwaardige ontmoeting', dacht Hoofddoekje.
Op het moment dat ze haar weg wilde vervolgen, klonk er vanuit een klein spechthol een vrolijk gelach. Hoofddoekje keek omhoog naar de oude eik waarin zich het spechthol bevond. Ze riep de specht. "Specht", riep ze. "Kereltje specht". Maar er kwam geen reactie. Ze hoorde enkel dat vrolijke gelach.
Hoofddoekje besloot verder te lopen omdat ze voor het avondeten thuis moest zijn. Ze volgde de gemarkeerde wegen op het plattegrondje van haar moeder. Zij had de blauwdrukken van het Grote Wouterbos via kennissen uit de nabijgelegen Hofstad weten te bemachtigen.
Hoofddoekje wandelde een smal bruggetje over. Daar trok een felgekleurd huis aan de rechterkant plots haar aandacht. Ze bekeek het huis vanaf de brug. In het riviertje ernaast lag een boot met een rond houten roer voor anker. De boot was veel te groot om uit te varen. 'Wat een megalomaan bootje', dacht Hoofddoekje. 'Hoe kan die nu uitvaren? Hij past zelfs niet eens onder deze brug door'.
Ze kon de verleiding echter niet weerstaan om het huis van dichtbij te bekijken. Van de buitenkant leek het veelbelovend. Het dak was bekleed met felle oranje snoepjes, en de schoorsteen had de vorm van een grote zuurstok in de kleuren rood, wit en blauw!
Voorzichtig begaf ze zich naar de voordeur. Moeder had haar op het hart gedrukt om nóóit van de gemarkeerde wegen af te wijken, maar ze was te nieuwsgierig naar dit snoephuisje.
Hoofddoekje klopte op de deur. Nog eens, maar er leek niets te gebeuren. Toch moest ze stiekem een kijkje nemen. Heel eventjes maar, dat kon toch geen kwaad? Ze zette haar klamme hand voorzichtig om de deurknop en draaide.... Juist op dat moment zwiepte er in het dak een luik open. Een ijzeren vrouw wurmde met kabaal haar hoofd tussen twee gevangenisspijlen naar buiten. Haar donkere ogen keken argwanend.
"Knibbel knabbel knuisje, welke vreemdeling kraakt er mijn huisje?"
Hoofddoekje schrok zich een hoedje.

"S-sorry mevrouw", verontschuldigde Hoofddoekje zich. "Ik wilde enkel eventjes binnen in uw mooie huisje kijken, het belooft zoveel moois en zoveel goeds"
De ijzeren vrouw glimlachte vilein.
"Ik ben er trots op", riep ze van boven, "heel erg trots".
"Dat zal best", antwoordde Hoofddoekje.
"En jij meisje, ben jij er ook trots op?"
"Het is niet van mij, dus ik weet niet of ik er trots op moet zijn, mevrouw".
Het mens wrong haar forse postuur nu volledig door de spijlen heen. Haar ijzeren lichaam maakte een industrieel geluid wanneer het de tralies raakte. Ze nam plaats in een zetel op het dak.
"Ik zou je best een stoel willen aanbieden meisje, maar ik heb maar één zetel hier".
De ijzeren vrouw zat als een cipier voor het luikje met de gevangenisspijlen.
"Zeg me eens, waar in het Grote Wouterbos woon jij precies" vroeg de vrouw terwijl ze haar armen zelfverzekerd over elkaar sloeg.
"Ik woon met mijn familie aan de rand, mevrouw", antwoordde Hoofddoekje.
"Wel donders! Ga dan maar snel terug naar waar je vandaan komt". De vrouw stond resoluut op van haar zetel en zwaaide dreigend met haar vinger. "In het Grote Wouterbos is geen plaats voor vreemdelingen, het is hier al druk genoeg". Hoofddoekje keek om zich heen. Ze zag helemaal niemand. Toch nam ze afstand van het huisje.
De vrouw wurmde zich terug door de spijlen en sloot haastig de luiken van het huis. Hoofddoekje liep beduusd verder.
Ze was nog geen seconde bij de ijzeren vrouw vandaan toen er een gestalte op een wit paard kwam aanrijden. Het was een vrij jonge man. Met een gracieuze beweging stapte hij van het beest af. De man had een brede glimlach en kneep wat met zijn ogen.
"Wel wel wel", sprak hij met een zuidelijk accent, "dat zijn dan veertien goudstenen alstublieft".
"Pardon?", stamelde Hoofddoekje.
"Veertien goudstenen jongedame. Jawel hoor. Ik heb het uitgerekend. U heeft precies twee kilometer gebruik gemaakt van de wegen in het Grote Wouterbos".
"Maar, ik-ik heb helemaal geen goudstenen", stotterde Hoofddoekje.
"Daar moet je rekening mee houden als je de wegen hier gebruikt, jongedame. Wij noemen het niet voor niets rekening-rijden. Wat heeft u in dat afgedekte mandje zitten?", vervolgde de man nieuwsgierig. Hij griste de roodwit geblokte theedoek ervan af. "Aha, kijk eens aan, Haagse Hopjes". Zijn ogen twinkelden. "Ik neem je al je Haagse Hopjes af", dat dekt de schade precies. Hij stopte de hopjes in een grote juten zak waarin Hoofddoekje ook een flinke hoeveelheid Brusselse Manneken Pis -drop zag zitten. De man besteeg zijn paard en verdween met een ambitieuze galop het bos in.
Het begon inmiddels te schemeren in het reeds duistere bos. Alle figuren hadden haar enorm opgehouden. Met de plattegrond in haar handen rende ze over de donkere paden van het bos. Af en toe struikelde ze van opwinding over een uitstekende boomwortel.
Onderweg passeerde ze een griezelige man. Hij had een gehavend gebit. Hij zat op zijn hurken en brulde tegen een paddenstoel: "Heb uw naasten lief, kaboutertjes. Heb mij lief als uw naaste. Ad-oreer mij!". De griezel keek bijzonder geïnteresseerd op toen Hoofddoekje langs rende, waarop ze subiet versnelde.
Halverwege het bos naderde Hoofddoekje een rood stoplicht. Ze besloot te wachten. Naast het rode stoplicht zag ze omvangrijke tomatenplantage. Er stond een vrouw overijverig in te werken, terwijl een oudere, bijna kale man, vanaf zijn klapstoeltje meewarig toekeek. Aan zijn voeten lag een oude os te slapen. Ze groette hen beiden.
Toen het licht op groen sprong spurtte ze naar links. Volgens haar plattegrond was ze nu bijna op het erf van oma Femke, daar waar de verblijfsvergunningen verlengd konden worden. En ja, in de verte zag ze het erf al liggen.
Ze wandelde over een van de vele geasfalteerde wegen naar het huis Hoofddoekje verbaasde zich over de hoeveelheid asfalt. Bij de voordeur stuitte ze op een briefje. "Deurbel defect", stond erop. "Gaarne driemaal HOERA roepen".
Hoofddoekje vond het wat vreemd maar schraapte uiteindelijk haar keel.
"HOERA, HOERA HOERA!" jubelde ze.
Het was een moment stil, maar niet voor lang.
"WIE IS DAT MARK?". Hoofddoekje hoorde een oude vrouwenstem krijsen. "MARK! WIE IS DAT!"
"Kalmeer moeder, ik ga wel even kijken".
"MARKJE, ZEG ME NU TOCH, WIE IS DAT?, tierde de vrouw opnieuw. "TOCH NIET WEER DIE LELIJKE IJZEREN HEKS, HÈ?".
Hoofddoekje giechelde.
Een keurige jongeman met een bril verscheen in de deuropening.
"Kan ik u helpen jongedame?".
"MARK JE ZEGT ME NU WIE HET IS!"
"Het is al goed moeder" riep de man getergd naar boven, "ga maar weer slapen".
Hij zuchtte vermoeid.
"Sorry dat ik u stoor", fluisterde Hoofddoekje, "maar ik kom voor onze verblijfsvergunningen".
De man keek een moment betrapt om zich heen.
"Ehm. Ik zou u wel willen helpen", fluisterde hij terug, "maar de anderen willen dat niet".
"Welke anderen?"
"Ik kan daar niets over zeggen. Het spijt me, het is beter als u nu meteen vertrekt".
"Maar, ben ik hier niet bij oma Femke dan?", vroeg Hoofddoekje verontwaardigd.
"Nee meisje, je bent verkeerd", zei de man. "Femke woont hier pal tegenover. Je kunt er naar binnen kijken vanuit mijn slaapkamerraam. Niet dat ik dat doe..."
De man sloot snel de deur terwijl Hoofddoekje zijn oude moeder weer hoorde brullen.

Hoofddoekje spoedde zich naar de overkant. Onderweg passeerde ze de tomatenplantage weer. De man met de slapende os, die nog steeds in zijn klapstoel naast het tomatenveld zat, sliep inmddels ook, terwijl de ijverige vrouw met een rood hoofd nu zelfs de onrijpe tomaten plukte.
De avond viel nu bijna. De schemering had het Wouterbos nog grauwer gekleurd. En Hoofddoekje had nog steeds geen verblijfsvergunningen. In het zacht doorgebroken maanlicht zag ze het erf van oma Femke liggen. Er was geen seconde te verliezen.
Het erf was versierd met prachtige planten en bloemen. Het werd omzoomd door een gigantisch rode rozenperk. Aan het rozenperk grensde een werkplaats. Tijdens het voorbij lopen zag Hoofddoekje dat er een vrouw in aan de arbeid was. Ze keek chagrijnig. De vrouw probeerde van alles aan elkaar te nagelen met een hamer, maar ze sloeg telkens op haar vingers. Aan haar voeten lag een kale hond die op Samson leek en telkens beteuterd 'nee' schudde als de vrouw op haar vingers sloeg. Hoofddoekje groette de vrouw, aaide de hond begripvol over zijn pasgeschoren bol, en betrad daarna het pad dat naar het huis van Femke leidde. In de voortuin passeerde ze een roestende Mercedes stationwagen. Er groeide gras vanonder de motorkap vandaan. Achterin de tuin speelde een vrouw tikkertje met wat kippen en konijntjes. Ze was geen partij voor de dieren. "Het ziet er hier allemaal zo vreedzaam uit", mijmerde Hoofddoekje hardop.
Ook bij deze voordeur trof Hoofddoekje een bordje aan. 'Geen deurbel i.v.m. energiebesparing'.
Ze klopte voorzichtig op het raampje in de deur.
Een schaduw naderde. Daarna ging de voordeur op een kier. De neus van een knalrode schoen stak over de drempel.
"Wie is daar?". Hoofddoekje meende even dat ze de stem herkende.
"Ehm. Hallo oma Femke, ik ben Hoofddoekje, ik kom voor onze verblijfsvergunningen".
"Kijk eens aan, kijk aan", sprak de stem "komen jullie toch binnen".
De deur ging langzaam open. Tegenover Hoofddoekje stond een uit de kluiten gewassen vrouwmens.
"Wees welkom, ik ben oma Femke", sprak de forse vrouw.
Hoofddoekje had zich haar veel anders voorgesteld. Desondanks schudde ze haar stevige hand en liet ze zich naar de woonkamer leiden.
"Zeg oma Femke", vroeg Hoofddoekje onderweg, "waarom heeft u van die grote, rode schoenen?".
"Dat is voor een eventuele watersnood, mijn kind, de poolkappen smelten gezwind".
Hoofddoekje bekeek de vrouw nog wat beter.
"Waarom heeft u geen krullen? Moeder vertelde me dat u zulke mooie krullen had".
"Ik heb mijn krultang weggedaan, alles om energie te besparen, nietwaar mijn kind?".
Hoofddoekje knikte.
"Maar oma Femke, waarom heeft u zo'n rode neus?".
"Och lieverd, ik heb tot diep in de nacht rode brandewijn gedronken met mijn vriend Hero".
Rode brandewijn. Hoofddoekje begon argwaan te krijgen. De forse vrouw deed ondertussen alsof ze nieste en haalde vlug de fopneus van haar gezicht.
Hoofddoekje merkte plotseling dat er verf uit de haren van de vrouw sijpelde. En toen zag ze het!
"U bent die clown van vanmiddag!".
Hoofddoekje verroerde zich niet terwijl de clown zijn masker in een hoek wierp.
Ze stond oog in oog met de Wilde Boze Geert.
"Mwhoehaha!", brulde hij, "je kunt die verblijfsvergunningen vergeten! Ik heb ze opgepeuzeld, met oma Femke eraan vast als een lekkere salade verte. En nu ben jij aan de beurt, Kopvodje!".
Hoofddoekje stond aan de grond genageld. Haar laatste seconden waren geteld. Maar juist op dat moment klonk er gelach bij de voordeur. Het was eenzelfde mysterieus hoongelach als die middag uit het spechthol was gekomen. De Wilde Boze Geert keek verschrikt op.

Met een verwoestend geweld werd de voordeur ingetrapt. Een klein kereltje met blozende wangen en een groen jagershoedje op zijn hoofd, posteerde zich in de deuropening. Onder zijn arm droeg hij een flinke stapel rapporten.
De Wilde Boze Geert deinsde achteruit. Achter de jager zag Hoofddoekje opeens haar trouwe ezel staan. "Balkje!", riep ze luid en gelukkig, "Balkje, ik dacht dat je weg was".
"Ik heb je toch al die tijd gezegd dat ik nooit weg zou gaan", sprak Balkje verheugd. "Mij krijg je niet zo snel weg".
De jager stak Hoofddoekje drie verblijfsvergunningen in haar handen, terwijl hij zijn grote ogen op de Wilde Boze Geert richtte. "Ga maar snel naar huis meisje", riep de jager, "ik heb nog wat appeltjes te schillen met meneer hier".
Hoofddoekje gehoorzaamde. Ze sprong op de rug van Balkje. Samen vertrokken ze terug naar de rand van het Grote Wouterbos. Daar leefde Hoofddoekje niet zo lang (griepvirus), maar wel heel erg gelukkig.
En de Wilde Boze Geert?
Wat de jager met hem gedaan heeft, en of hij voorgoed zal zijn verdreven uit het Grote Wouterbos? Dat leest u na 9 juni!  |
monday 11-03-1973
(..)
Ik ontmoette de twee beroepswaaghalzen in een luxe brasserie op het centraal station van London. Gisteravond hadden ze me al telefonisch te woord gestaan. Zij zouden Het Meer wel eventjes gaan overzwemmen. 'Met speels gemak', beweerden de mannen, alsof ik hen had gevraagd om een bak piepers te jassen. De twee stonden bekend om het aangaan van 's werelds meest groteske uitdagingen. Zo hadden ze de piramiden van Gizeh omgekeerd, alle Chinezen op aarde geteld, onlangs de Mona Lisa verhangen, en de Mont Blanc volledig sneeuwvrij gemaakt. Het was teveel om op te noemen, overtuigden de gevierde durfals me toen ik hen tijdens onze high tea vroeg naar hun meesterschap.
Onze treinreis vanuit London naar Glasgow nam vier uur in beslag, en hemel, dat was een lange zit. De beroepswaaghalzen hadden tijdens de trip echter verre van stilgezeten, want terwijl ik met onverstoorbare kalmte een cryptogrammetje oploste, verbonden zij listig alle valiezen uit de bagagerekken met visdraad aan elkaar. Ik schouwde deze vertoning oogluikend aan, en ik moet bekennen dat ik genoot van hun professionaliteit. Hun poets bleef al die tijd onopgemerkt, waardoor deze bij aankomst ontaarde in een uiterst vermakelijke klucht. De twee bleken van alle markten thuis te zijn.
Op het stationsplein van Glasgow namen we de voorste van een rij taxiwagens. De chauffeur verkrampte toen ik hem op onze eindbestemming wees. Een dollemansrit, dwars door de mistige, kille hooglanden van Schotland, bracht ons vervolgens naar Loch Ness; naar haar meest onheilspellende oever, gesitueerd aan de zuidkant van het grote dal (The Great Glen). Toen de wagen eindelijk stilhield waarschuwde de chauffeur ons dat het monster hier recentelijk twee badende jongens had gegrepen. Schooljongens uit Lairgmore. Een week later waren twee zwembroekjes komen bovendrijven. Het totaal aantal slachtoffers schatte hij op negenendertig; maar dat kon 'een mannetje meer of minder zijn', zo wist hij te vertellen. Daarna scheurde hij met gierende banden weg van de plek die hij onderweg met een zangerige spookstem als het "bassin van de duivel" had bestempeld.
Terwijl de twee waaghalzen de watertemperatuur blootsvoets aftastten nam ik het gigantische meer in me op. Daar stond ik dan, finally. Het roemruchte Meer van Loch Ness. Het lag aan mijn voeten. Negenendertig kilometer lang, en op sommige plaatsen ruim 200 meter diep: een prima plaats om je te verstoppen, bedacht ik me. De zenuwen gierden inmiddels door mijn lijf. Ik gleed voorzichtig de oever naar beneden en voegde me bij de twee die zich laconiek keuvelend van hun kleedsel ontdeden. Ik hoorde hen kletsen over een stripboek dat ze beiden hadden gelezen. Het leek ze werkelijk niet te vervoeren dat ze aan de voet van het beruchte dodenmeer stonden.
Er waaide vandaag volgens de onversaagde durfals een typisch Schotse wind; een strijdbare en snijdende bries. 'Desalniettemin een fraai zwemweertje', grapten ze terwijl ze het koude water trotseerden. De mannen hadden voorgenomen om het meer naakt over te zwemmen. Poedelnaakt én heen-en-weer, want ze vonden een retourtje mooier staan in de annalen. Dat kon ik alleen maar beamen. Net voordat de helden het zoetwater indoken, salueerden ze me vastberaden, als koene matrozen die standvastig een laatste groet aan de kade brengen. Hun gespierde avonturierslijven schoten op kniehoogte als onvermurwbare golfbrekers uit het meer. Het kostte me moeite om niet naar hun geslachten te blijven staren, want ook dat waren meeslepende lotgevallen.
Terwijl de mannen vurig borstcrawlend uit het zicht verdwenen, vond ik een rots om op te zitten. Ik staarde naar hun achtergelaten kleding. Ze hadden hun broekspijpen in hun schoenen gestoken en hun jas in de bovenbroek. Zo leek het alsof er twee uitgeholde personen op de oeverstenen lagen te slapen. 'Een oude truc' meenden zij, toen ik ze had gevraagd naar het waarom, 'hierdoor kan de wind kan er onmogelijk mee aan de haal gaan, en ook de vossen blijven ervan af'. Dat bleek wederom een vernuftige vondst. Ik was de afgelopen uren meermalen getuige geweest van soortgelijke, intrigerende wijsheden. Tijdens de taxirit hadden zij, bijvoorbeeld, grondig hun tanden gepoetst. De twee wilden niets aan het toeval overlaten mocht het deze middag verkeerd gaan: Petrus kon allesbehalve met een bedorven adem tegemoet worden getreden, zo verzekerden ze mij nadat ze hun monden uit het autoraam hadden leeggespuwd. Hun professionaliteit was even onmiskenbaar als hun wonderbaarlijke cv. Ik was er heilig van overtuigd dat ze hemel en aarde konden bewegen als iemand het ze vragen zou. Maar hopelijk blijft die vraag voor eeuwig uit; het omgaan met deze twee is als spelen met vuur.
(..)
Inmiddels is het twaalf uur later. Ik schrik net wakker op een rots. Ik moet, na de voorgaande notities in mijn dagboek, pardoes in slaap zijn gevallen. Het begint te schemeren. Er is geen spoor van de twee. Voor me zie ik hun kleding nog altijd op de stenen liggen. Ik heb het gevoel dat er iets niet in orde is. Ik ga ze achterna. Het moet. Misschien zijn ze in de problemen geraakt. Het water zal ijskoud zijn, en een getraind zwemmer ben ik niet. Mijn hemel, ik ben er niet gerust op.
NOOT VAN DE AUTEUR:
Van de twee waaghalzen, evenals van deze dagboekschrijver George Priestley, is nooit meer iets vernomen. Een uitgebreid sporenonderzoek door Scotland Yard heeft, op het vinden van deze bladzijden uit het dagboek na, geen teken van leven opgeleverd. Zoals ieder verhaal omtrent het Monster van Loch als onoplosbaar de overlevering is ingegaan.

uit:
De lotgevallen van Loch Ness
W.J.F. Vaasbeek
Met liefde opgedragen aan mijn Johanna
Amsterdam, 2010
zie: Uitgeverij De Passieve Wesp. ISBN 1762 34578 2345
 |